Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Bij overeenkomst van 21 december 2000 is de Vordering achtergesteld op de vorderingen die de Bank heeft op [G] B.V. In de overeenkomst van achterstelling is onder meer het volgende opgenomen:
26.600,=[20.000] is afgelost op de lening verstrekt door [H] Beheer B.V., oorspronkelijk groot EUR 453.780,= (NLG 1.000.000,=), welke bij de bank is achtergesteld. Door mede ondertekening van de kredietbrief geeft [H] Beheer B.V. haar goedkeuring aan het achterstellen van EUR 26.600,=, van de rekening-courantvordering tussen uw vennootschap en [H] Beheer B.V. Hierdoor komt de totale achterstelling weer op het oorspronkelijke niveau.
Daaraan voegt het Hof nog het volgende toe.
In een intern verslag van de bank van een bespreking op of omstreeks 3 maart 2008 wordt melding gemaakt van het gegeven dat u de vordering van [H] Beheer B.V. wenst af te lossen binnen een tijdsbestek van 3 jaar vanaf genoemde datum.
Vervolgens wordt in een, eveneens intern, verslag van een bespreking van 19 maart 2009 tussen uzelf en de bank aangegeven dat uw vennootschappen graag de lening van [H] Beheer B.V. wens[en] af te lossen, in eerste instantie door het vrijmaken van middelen uit uw persoonlijke holding.”
consultancyen
procurement.(…) Vooral gedurende noodhulp is het van belang dat er snel financieel geschakeld kan worden. Als er bijvoorbeeld bij aardbevingen, oorlogssituaties of natuurrampen snel tenten gekocht moeten worden en vliegtuigen gecharterd voor het transport, moeten er snel betalingen worden verricht om productie en leveringen in gang te zetten. (…) Uit deze voorbeelden moge duidelijk zijn dat het beschikbaar hebben van liquiditeit essentieel is voor de door [G] uit te voeren procurement activiteiten. Vandaar dat wij gelden beheren die niet van [G] zijn maar die wel op de balans (liquide middelen) staan. (…) [G] krijgt voor haar werkzaamheden een procurement fee. Dit is een percentage van de waarde van de gekochte goederen. Voor grote projecten is de procurement fee rond 3% van de waarde van de goederen.”
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
De opmerkingen over de dividenduitkeringen (uitspraak rechtbank r.o. 4.3.2) acht belanghebbende onbegrijpelijk. Deze uitkeringen zijn aangewend om vorderingen op de moedervennootschap ‘af te boeken’ waarmee werd bereikt dat de balans werd geschoond. Het betrof slechts een ‘boekhoudkundige ingreep’. Deze dividenduitkeringen zijn – anders dan de inspecteur heeft gesteld – bij de bepaling van de kasstroom geëlimineerd.
Voor een aflossing van de in 1995 en 1996 door [H] Beheer B.V. aan [G] B.V. verstrekte leningen van in totaal € 453.780 (hierna: de leningen) was, zoals blijkt uit de prognose, maximaal € 93.500 beschikbaar.
Wat betreft de opstelling van Bank [I] verwijst belanghebbende naar de overgelegde verklaring van die bank (als vermeld onder 2.2). In dat verband heeft belanghebbende erop gewezen dat ten gunste van [G] B.V. in 2009 € 100.000 agio is gestort teneinde te voorkomen dat de partiële aflossing van de leningen de solvabiliteit van [G] B.V. zou aantasten.