ECLI:NL:GHAMS:2014:5427
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.G. Kemmers
- M.F.G.H. Beckers
- J.W. van Zaane
- Rechtspraak.nl
Vrouw niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen bindende eindbeslissing over toepasselijk huwelijksvermogensrecht
Partijen, gehuwd in 1994 in Portugal, zijn in een procedure verwikkeld over de echtscheiding en de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. De man startte in 2012 een echtscheidingsprocedure in Portugal, terwijl de vrouw een verzoek indiende bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank bepaalde dat het Portugese recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, omdat partijen de Portugese nationaliteit hebben en Portugal een nationaliteitsland is volgens het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.
De vrouw stelde in hoger beroep dat Nederlands recht van toepassing zou moeten zijn vanaf het moment dat partijen in Nederland gingen wonen, dan wel dat Portugees recht vanaf het huwelijk geldt en Nederlands recht na tien jaar verblijf in Nederland. Het hof oordeelt dat de bestreden beschikking geen eindbeschikking is, maar een tussenbeschikking met een bindende eindbeslissing in de overwegingen.
Volgens vaste jurisprudentie is tegen een bindende eindbeslissing geen zelfstandig hoger beroep mogelijk, tenzij de rechter anders bepaalt, wat hier niet het geval is. Het hof benadrukt dat de rechtbank in eerste aanleg de mogelijkheid heeft om in een later stadium op deze overweging terug te komen indien nieuwe feiten dat rechtvaardigen. De vrouw wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen deze beslissing.
Uitkomst: De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de bindende eindbeslissing over het toepasselijke huwelijksvermogensrecht.