ECLI:NL:HR:2010:BN8521
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- C.E. Drion
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over terugkomen van bindende eindbeslissing in civiele procedure
In deze zaak stond centraal of een rechter in een civiele procedure van een eerder gegeven bindende eindbeslissing mag terugkomen. Kojen had een vordering ingesteld tegen ABB over een provisieregeling in een agentuurovereenkomst. Het hof had in een tussenarrest een bindende eindbeslissing genomen, maar kwam daar later op terug omdat het oordeelde dat die beslissing berustte op een onjuiste feitelijke grondslag.
Kojen stelde dat het hof partijen eerst opnieuw had moeten horen voordat het van die bindende eindbeslissing terugkwam, en dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechter bevoegd is om terug te komen op een bindende eindbeslissing als deze berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, mits partijen de gelegenheid hebben gehad zich uit te laten. In dit geval had Kojen al tijdens het proces de gelegenheid gehad om op de nieuwe stellingen te reageren.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Kojen en bevestigde dat het hof terecht was teruggekomen op de bindende eindbeslissing zonder Kojen opnieuw te horen. De uitspraak verduidelijkt de motiveringsplicht van de rechter en de grenzen van het hoor en wederhoor-beginsel bij terugkomen van bindende eindbeslissingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof terecht van de bindende eindbeslissing mocht terugkomen zonder partijen opnieuw te horen.