Uitspraak
mr. F.S.P. van der Walte Utrecht,
mr. A. Heijderte Amsterdam.
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2. Verdere beoordeling van het hoger beroep
“Na 2002 ben ik niet meer in de woning geweest”) laat in zijn verklaring de mogelijkheid open dat [geïntimeerde] met zijn partner elders woonachtig was (“
Of de heer [geïntimeerde] en zijn echtgenote samenwoonden, weet ik niet. Zij is op een gegeven moment verhuisd naar [woonplaats 2] of [woonplaats 3] of zij kwam daar vandaan, dat weet ik niet precies. Op de opmerking van mr. Van der Wal dat hij mij hoorde zeggen dat zijzijnverhuisd, antwoord ik dat ik ervan uitga dat zij beiden zijn verhuisd maar dat is een veronderstelling van mijn kant”). Dit geldt temeer waar [getuige 1] tevens verklaart zich te herinneren dat naar aanleiding van de verhuizing van [geïntimeerde] naar de [straatnaam 3], volgens hem in de periode 2002, de projectleider van het hiv-project [hof: een project waaraan [geïntimeerde] en [getuige 1] deelnamen] zei: “
godzijdank wat moet hij in die periferie”, wat er eveneens op duidt dat [geïntimeerde] buiten Amsterdam woonde.
“Toen ik zo’n vier jaar geleden in de woning aan het [straatnaam] kwam, ben ik niet in de slaapkamer geweest. Daar kwam ik nooit.”Daarentegen verklaart [getuige 3] te weten dat [geïntimeerde] een woning had in [woonplaats 2], waar hij woonde met een vriendin.
Het was zeer eenvoudig, bij de voordeur zat een eenvoudige behandel/spreekhoek, in ieder geval geen standaard praktijkruimte die je verwacht bij een huisarts (…). Ik kan mij herinneren dat er een nummerkaart voor de ogen aanwezig was. Het was allemaal zeer eenvoudig, er was geen balie, geen assistente en geen wachtkamer. Er was een klein gedeelte van de ruimte zodanig ingericht dat je wel dacht ‘hier is een arts bezig’.(…)
Ik meende dat er een trap naar boven ging maar dat kan ik mij ook hebben ingebeeld omdat ik mij afvroeg: waar is dan de slaapkamer.”
In die periode waren mijn werktijden van ’s ochtends 7 tot half 4 of van 3 uur ’s middags tot half 12 ’s avonds. Dat was zowel in het weekend als doordeweeks”) heeft [getuige 4] verklaard [geïntimeerde] regelmatig met de auto te hebben zien thuiskomen, zowel op doordeweekse dagen als in het weekend, waarbij hij dan een zwarte dokterstas bij zich had. De reden dat de heer [geïntimeerde] zijn woning in [woonplaats 2] aan [getuige 4] heeft verkocht, zeven, bijna acht jaar geleden, was omdat hij een woning had gekocht aan de [straatnaam 3] in Amsterdam, aldus haar verklaring. Van een woning aan het [straatnaam] verklaarde [getuige 4] niets te weten.
Dat was een idee van mij uit de beginjaren dat ik nog op het [straatnaam] woonde”, heeft [geïntimeerde] dit vervolgens als een verspreking aangemerkt (“
Nu ik u hoor zeggen ‘nog’ op het [straatnaam] woonde, merk ik op dat dat een verspreking is.”);