Op 18 september 2013 werd verdachte in Amsterdam aangehouden omdat hij weigerde mee te werken aan een ademonderzoek, terwijl hem daartoe door een opsporingsambtenaar was bevolen. Verdachte blies niet in het apparaat maar zoog eraan en gaf aan niet mee te willen werken. Er was geen medische reden voor het weigeren van het onderzoek vastgesteld.
De politierechter veroordeelde verdachte tot een werkstraf van 40 uur, vervangende hechtenis van 20 dagen en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 10 maanden. Het hof vernietigde dit vonnis en kwam tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging.
Het hof achtte bewezen dat verdachte de ademtest weigerde zonder geldige medische reden en dat de verbalisanten niet verplicht waren over te gaan tot bloedonderzoek. Gelet op eerdere veroordelingen en de ernst van het feit legde het hof een werkstraf van 40 uur op, vervangende hechtenis van 20 dagen en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 9 maanden.
Het hof oordeelde dat de verdachte daarmee zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer had veronachtzaamd en dat de straf passend was gelet op de financiële situatie van verdachte en de LOVS-oriëntatiepunten.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 oktober 2014.