ECLI:NL:GHAMS:2014:5939
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vaststelling kinderalimentatie bij wijziging omstandigheden
In deze zaak gaat het om een hoger beroep betreffende de vaststelling van de kinderalimentatie na een wijziging van omstandigheden. De man verloor zijn baan in september 2011 en ontving vanaf februari 2012 een werkloosheidsuitkering zonder vermogen, waardoor hij niet langer aan het convenant van 9 februari 2006 kon worden gehouden. Het hof oordeelde dat partijen destijds bewust afweken van de wettelijke maatstaven bij het opstellen van het convenant.
De man stelde dat de alimentatie niet in overeenstemming was met de feitelijke kosten van het kind, gezien het lage inkomen en de beperkte uitgaven, maar het hof vond onvoldoende onderbouwing voor deze stelling en verwierp het bewijsaanbod. De vrouw betwistte dat de man geen andere inkomsten had, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Het hof paste de norm van artikel 1:159 lid 3 BW Pro analoog toe en stelde vast dat de behoefte van het kind €795 per maand bedroeg bij een netto gezinsinkomen van circa €5.000. De man werd geacht een bijdrage van €515 per maand te betalen vanaf 1 februari 2012 en €540 vanaf 25 mei 2012, rekening houdend met de draagkracht van partijen en zonder extra kosten zoals therapeutische zorg of ziektekosten mee te wegen.
De beschikking van de rechtbank Amsterdam werd vernietigd voor zover deze de bijdrage vaststelde, en het hof deed in zoverre opnieuw recht. De rest van de bestreden beschikking werd bekrachtigd en het hoger beroep werd voor het overige afgewezen.
Uitkomst: De man moet vanaf 1 februari 2012 een kinderalimentatie van €515 per maand betalen, verhoogd naar €540 per maand vanaf 25 mei 2012.