Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
3.Het geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep
5.Beslissing
20 april 2014;
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, een man en een vrouw, hebben een kind samen uit een eerdere relatie. De vrouw oefent het gezag uit en het kind verblijft bij haar. In 2006 sloten zij een convenant waarin de man een hogere bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind toezegde dan de wettelijke normen voorschrijven.
De man kwam in hoger beroep tegen een beschikking die zijn alimentatieverplichting vaststelde, stellende dat het convenant met grove miskenning van wettelijke maatstaven was aangegaan en dat de behoefte van het kind feitelijk lager was. De vrouw stelde dat partijen bewust van de wettelijke normen waren afgeweken en dat het convenant weloverwogen tot stand was gekomen.
Het hof oordeelde dat partijen inderdaad bewust waren afgeweken van de wettelijke maatstaven bij het sluiten van het convenant, mede op basis van verklaringen van betrokken adviseurs. Wijziging van de alimentatie is daarom alleen mogelijk bij een ingrijpende wijziging van omstandigheden die het onredelijk maakt om de overeenkomst te handhaven.
Omdat partijen zich niet hadden uitgelaten over het bestaan van een dergelijke wijziging, stelde het hof hen in de gelegenheid hierop te reageren en hield de zaak aan tot 20 april 2014 voor een pro forma behandeling en verdere beslissing.
Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan voor nadere reactie van partijen over een ingrijpende wijziging van omstandigheden die wijziging van de alimentatie kan rechtvaardigen.