Het geschil betreft de vaststelling van de WOZ-waarde van vier woningen gelegen aan de [a-straat] 10 te [Z], waarbij belanghebbende betwist dat de vastgestelde waarden overeenkomen met de werkelijke waarde op de waardepeildatum 1 januari 2010.
De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld en na bezwaar verlaagd, maar belanghebbende vond deze waardes nog te hoog, mede vanwege de slechte funderingskwaliteit en onderhoudsstaat van de woningen. Belanghebbende stelde ook dat het bruto vloeroppervlak (BVO) onjuist was gehanteerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof onderzocht uitgebreid de rapportages over funderingskwaliteit, vergelijkingsobjecten, verkoopprijzen en bouwtekeningen. Het Hof concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waardes niet te hoog waren vastgesteld, dat het BVO correct was gehanteerd, en dat de verschillen in funderingskwaliteit en onderhoudsstaat voldoende waren meegenomen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.