Romar Group B.V. is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin zij in staat van faillissement werd verklaard op verzoek van de Ontvanger van de Belastingdienst. De vennootschap betwistte de toestand van opgehouden te betalen en stelde dat zij haar schulden regelmatig voldoet en een betalingsregeling met de Belastingdienst had getroffen.
De Ontvanger had een vordering ingediend van ongeveer €90.859,-, waarvan Romar Group slechts een deel op een derdenrekening had gestort. Daarnaast waren er meerdere schulden aan deelnemingen en andere schuldeisers, waarvan sommige vorderingen niet opeisbaar waren en sommige schuldeisers het faillissement niet steunden.
De curator stelde dat Romar Group een aanzienlijke schuldenlast had, weinig liquide middelen en twijfelachtige vorderingen, waardoor zij in de toestand van opgehouden te betalen verkeerde. Het hof oordeelde dat het niet vereist is dat steunvorderingen opeisbaar zijn en dat de betwisting van Romar Group onvoldoende was onderbouwd.
Het hof concludeerde dat summierlijk was gebleken van het vorderingsrecht van de Ontvanger en de toestand van opgehouden te betalen van Romar Group. Het bestreden vonnis werd daarom bekrachtigd en het faillissement gehandhaafd.