Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, beiden met de Nederlandse en Turkse nationaliteit, zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2002. De man is gehuwd met een ander en heeft twee andere kinderen. De vrouw ontvangt een WWB-uitkering en verzorgt het kind als alleenstaande ouder.
De rechtbank had een bijdrage van €780 per maand vastgesteld, waartegen de man in hoger beroep ging. Hij stelde dat de minderjarige grotendeels bij hem verbleef en dat de bijdrage te hoog was. Het hof oordeelde dat de vrouw voldoende had onderbouwd dat het kind haar hoofdverblijfplaats bij haar heeft en dat de man onvoldoende had aangetoond dat hij de kosten grotendeels draagt.
Het hof hield rekening met co-ouderschap en omgangsregeling, waarbij het kind ongeveer de helft van de tijd bij de man verbleef. De draagkracht van de man werd berekend op basis van zijn fiscale inkomen in 2013, waarbij woonlasten werden beperkt tot de bijstandsnorm en de onderhoudsplicht voor kinderen voorrang kreeg boven die voor de echtgenote.
De behoefte van het kind werd vastgesteld op €780 per maand, conform eerdere berekeningen. Het hof stelde de bijdrage van de man vast op €465 per maand vanaf 2 april 2012 en €460 per maand vanaf 15 juli 2012. Verzoeken tot terugbetaling en proceskostenveroordeling werden afgewezen, en de proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bepaalt dat de man vanaf 2 april 2012 €465 en vanaf 15 juli 2012 €460 per maand aan kinderbijdrage moet betalen.