Appellant had in 2002 een hypothecaire lening bij de Postbank voor een woning, inclusief een verhuisregeling die bepaalde voordelen bood bij het afsluiten van een nieuwe hypotheek binnen zes maanden na verkoop van de oude woning. In 2003 wilde appellant een nieuwe lening bij de Postbank voor een andere woning, maar dit verzoek werd door ING Bank, rechtsopvolger van de Postbank, afgewezen. Appellant stelde dat ING Bank tekort was geschoten in de nakoming van de verhuisregeling en vorderde schadevergoeding.
De rechtbank wees de vordering af, stellende dat de verhuisregeling geen recht op een nieuwe lening zonder nadere toetsing inhoudt. Het hof bevestigde dit oordeel en overwoog dat de verhuisregeling niet meerdere uitleg toelaat die een verplichting tot verstrekking van een nieuwe hypotheek zonder acceptatievoorwaarden impliceert. Ook de stelling dat de onderhandelingen ver gevorderd waren en het afbreken daarvan onrechtmatig was, faalde wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het geding in hoger beroep. De verhuisregeling biedt geen recht op een nieuwe lening zonder nadere acceptatie, en de bank is niet tekortgeschoten.