ECLI:NL:GHAMS:2014:6145
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beklag tegen sepot wegens onvoldoende bewijs moord na zelfdoding
Klaagster diende een beklag in tegen het besluit van het Openbaar Ministerie om een onderzoek naar de dood van haar broer, die op tragische wijze was overleden met een plastic zak over zijn hoofd en een koord om zijn hals, te seponeren. De overledene werd dood aangetroffen in zijn woning, waarbij de lijkschouwer concludeerde dat het om zelfdoding ging.
Klaagster betwistte deze conclusie en vermoedde dat beklaagde, een aanverwant, verantwoordelijk was voor de dood. Zij voerde onder meer aan dat het gebruik van een heliumtank niet was vastgesteld en dat beklaagde mogelijk betrokken was bij fraude en het wissen van gegevens op de computer en telefoon van de overledene. Een getuige verklaarde aanvankelijk dat de overledene had gezegd dat hij zou worden gedood, maar deze verklaring werd later door de getuige betwist.
Het hof beoordeelde of er voldoende aanwijzingen waren voor vervolging wegens moord of doodslag en concludeerde dat het dossier geen aanwijzingen bevat die een strafrechter tot een bewezenverklaring zouden kunnen leiden. Nader onderzoek was niet mogelijk omdat de overledene was gecremeerd. De beslissing van het OM om te seponeren werd daarom als terecht beoordeeld.
Hoewel het hof zich bewust is van de onbevredigende situatie voor klaagster, biedt het strafrecht onvoldoende mogelijkheden voor verder onderzoek. Het beklag wordt daarom afgewezen en de beschikking is onherroepelijk.
Uitkomst: Het beklag tegen het sepot wordt afgewezen wegens onvoldoende aanwijzingen voor een strafbaar feit.