Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1],
[geïntimeerde sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil over de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de moeder, de oorspronkelijke huurster. Haar zoon, die sinds zijn geboorte in de woning had gewoond maar deze rond 1997/1998 had verlaten, vordert voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. De kantonrechter wees deze vordering af, hetgeen in hoger beroep werd bestreden.
Het hof stelt vast dat het enkele feit dat de zoon zijn moeder in haar laatste jaren verzorgde en ondersteunde niet voldoende is om te spreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Een duurzame gemeenschappelijke huishouding vereist een bewuste keuze om blijvend en met een toekomstverwachting samen te wonen, wat hier niet is aangetoond.
De zoon heeft geen feiten aangevoerd die aantonen dat hij en zijn moeder een dergelijke duurzame huishouding voerden. De periode waarin hij zijn moeder bijstond was vooral ingegeven door haar verslechterende gezondheid en zijn jonge leeftijd. Ook het feit dat hij nooit de intentie had het ouderlijk huis te verlaten, is onvoldoende om de vordering te rechtvaardigen.
Het hof bekrachtigt het bestreden eindvonnis en verwijst de appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.