Uitspraak
mr. J.B. Maliepaardte Bleiswijk,
mr. I.M.C.A. Reinders Folmerte Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak ging het om vier effectenleaseovereenkomsten die appellant met Dexia was aangegaan. De echtgenote van appellant had geen schriftelijke toestemming gegeven voor het aangaan van deze overeenkomsten en had bij brief van 11 februari 2007 de vernietiging daarvan ingeroepen. Dexia stelde dat het vernietigingsrecht verjaard was omdat de echtgenote al langer dan drie jaar op de hoogte was.
De kantonrechter oordeelde dat appellant onvoldoende tegenbewijs had geleverd dat zijn echtgenote niet eerder dan drie jaar voor 11 februari 2007 kennis had genomen van de leaseovereenkomsten. Het hof kwam echter tot een andere bewijswaardering na het horen van getuigenverklaringen van appellant en zijn echtgenote. Uit hun verklaringen bleek dat de echtgenote geen toegang had tot de zakelijke bankrekening waar de betalingen aan Dexia vandaan kwamen en dat zij pas eind 2006 van de contracten op de hoogte was geraakt.
Het hof stelde vast dat appellant geslaagd was in het ontzenuwen van het bewijsvermoeden en dat Dexia niet met andere feiten kon aantonen dat de echtgenote eerder bekend was met de leaseovereenkomsten. Hierdoor was het vernietigingsrecht niet verjaard en waren de leaseovereenkomsten rechtsgeldig vernietigd.
Als gevolg daarvan veroordeelde het hof Dexia tot terugbetaling van alle door appellant betaalde bedragen, verminderd met de aan appellant uitgekeerde dividenden en positieve resultaten, met wettelijke rente vanaf 23 juni 2011. Tevens werden de proceskosten aan Dexia opgelegd en verklaarde het hof de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof vernietigde de leaseovereenkomsten en veroordeelde Dexia tot terugbetaling van betaalde bedragen met wettelijke rente.