ECLI:NL:GHAMS:2014:944

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 maart 2014
Publicatiedatum
31 maart 2014
Zaaknummer
23-004318-12
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410a SvArt. 410 SvArt. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in relatief lichte strafzaak wegens ontbreken grieven en niet verschijnen

In deze strafzaak tegen verdachte, die in eerste aanleg veroordeeld was tot een geldboete van €100 wegens een feit met een maximale gevangenisstraf van twee jaren, werd hoger beroep ingesteld. Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Verdachte had een standaardformulier ingevuld waarop hij aangaf onschuldig te zijn, maar hij diende geen concrete grieven of bezwaren schriftelijk in en verscheen niet ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof oordeelde dat het formulier niet voldeed als schriftuur houdende grieven en dat verdachte geen actieve proceshouding toonde die van hem verwacht mocht worden.

Gezien de relatief lichte aard van de zaak en het ontbreken van een rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke behandeling, verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor blijft het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 5 oktober 2012 in stand.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van schriftelijke grieven en niet verschijnen.

Uitspraak

Parketnummer: 23-004318-12
Datum uitspraak: 14 maart 2014
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Alkmaar van 5 oktober 2012 in de strafzaak onder parketnummer 14-906001-11 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
adres: [adres].

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van
14 maart 2014.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

Het tweede lid van artikel 416 van Pro het Wetboek van Strafvordering luidt, als volgt:
“Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
Deze bepaling is bij de Wet stroomlijnen hoger beroep geheel gewijzigd. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat met het karakter van appèl als voortgezette instantie zich niet verdraagt dat in appèl, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan een min of meer nieuwe procedure wordt gestart. Van partijen mag in het bijzonder in hoger beroep een actieve proceshouding worden gevergd. [1]
Genoemde bepaling geeft de appelrechter de discretionaire bevoegdheid om, indien de verdachte geen of niet tijdig zijn bezwaren tegen het vonnis naar voren heeft gebracht, de verdachte niet-ontvankelijk te verklaring in het hoger beroep.
De beantwoording van de vraag of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van een niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan een verzuim van de verdachte om zijn bezwaren tegen het vonnis kenbaar te maken, is in hoge mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval.
Het hof stelt allereerst vast dat het dossier een bescheid bevat, zijnde een zogenaamd standaardformulier waarop grieven tegen het vonnis en/of redenen voor het instellen van hoger beroep weergegeven kunnen worden. Dit formulier is door de verdachte ingevuld en ondertekend op 12 oktober 2012.
De verdachte heeft het vakje ‘ik ben onschuldig’ aangekruist en als toelichting daarbij opgegeven:
‘Dossier is niet compleet. Ik heb mij niet kunnen verdedigen’.
De verdachte is, hoewel correct gedagvaard, niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen om zijn (verdere) bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep kenbaar te maken.
In de onderhavige strafzaak speelt tevens een rol dat de verdachte bij vonnis in eerste aanleg ter zake van het bewezen verklaarde feit - zijnde een feit waarop een maximale gevangenisstraf is gesteld van 2 jaren - is veroordeeld tot een geldboete van € 100,00. Het betreft aldus een relatief lichte strafzaak die valt onder het verlofstelsel ex artikel 410a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Ondanks dat de verdachte geen schriftuur met een opgave van de redenen voor het instellen van het hoger beroep heeft ingediend, heeft de voorzitter bevolen dat de zaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onvoldoende (onderbouwd) kenbaar heeft gemaakt wat precies zijn concrete bezwaren zijn tegen het vonnis waarvan beroep. Nu hij tevens niet ter terechtzitting is verschenen om zijn eventuele bezwaren nader toe te lichten, heeft de verdachte geen blijk gegeven van de actieve proceshouding die van hem in alle redelijkheid mag worden gevergd. Het standaardformulier dat de verdachte heeft ingediend kan onder die omstandigheden naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven in de zin van artikel 410, eerste en vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof betrekt voorts bij zijn oordeel dat het een relatief lichte strafzaak betreft en stelt vast dat ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf.
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat dat de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. F.L. Muskens, in tegenwoordigheid van mr. S.P.H. Brinkman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
14 maart 2014.
mr. F.L. Muskens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.[...]