ECLI:NL:GHAMS:2015:1900

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2015
Publicatiedatum
21 mei 2015
Zaaknummer
23-000925-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 SvArt. 416 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens te late indiening appelschriftuur

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep van het openbaar ministerie behandeld tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. Het geschil betrof de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep, omdat de schriftuur met grieven niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep was ingediend.

De raadsman van de verdachte stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege deze termijnoverschrijding. De advocaat-generaal voerde aan dat de overschrijding slechts één dag bedroeg en dat het belang van het hoger beroep zwaarder woog, mede gezien de complexiteit van de zaak. Het hof overwoog dat artikel 410 lid 1 Sv Pro en artikel 416 lid 3 Sv Pro voorschrijven dat bij niet tijdige indiening van de schriftuur het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

Het hof constateerde dat de schriftuur pas op de 15e dag na het instellen van het hoger beroep was ingediend en dat geen reden was gegeven voor deze overschrijding. Gelet op de beperkte omvang en eenvoud van het dossier en het feit dat de schriftuur een herhaling was van het eerder ingediende requisitoir, oordeelde het hof dat het belang van het hoger beroep niet zwaarder woog dan het belang van sanctionering van het verzuim.

Het verzoek van de advocaat-generaal om de zaak aan te houden om de reden van de overschrijding te achterhalen, werd afgewezen omdat daarvoor voldoende tijd was geweest. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep en wees het beroep af op formele gronden.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens te late indiening van de appelschriftuur.

Uitspraak

parketnummer: 23-000925-13
datum uitspraak: 24 april 2015
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13/650906-12 tegen
[verdachte],
geen nadere persoonsgegevens en verblijfplaats bekend.

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 10 april 2015.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep wegens het te laat indienen van een schriftuur in de zin van artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er geen voldoende zwaarwegend maatschappelijk belang aanwijsbaar is dat meebrengt dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie achterwege kan blijven.
De advocaat-generaal heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat de ratio van de voorschriften, namelijk het verschaffen van duidelijkheid voor procespartijen en een efficiënte procesvoering, niet is doorkruist, omdat het slechts gaat om een geringe termijnoverschrijding, te weten een overschrijding van één dag, terwijl het een ernstige en redelijk complexe zaak betreft. De advocaat-generaal heeft voorts meegedeeld dat haar niet bekend is wat de reden is van de overschrijding. De advocaat-generaal heeft, voor het geval het hof van oordeel is dat de overschrijding van de termijn niet - zonder meer - zonder consequenties kan blijven, verzocht de zaak aan te houden ten einde na te gaan wat de reden van de termijnoverschrijding is geweest.
Het hof overweegt het volgende.
Artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, moet indienen. Indien van de zijde van het openbaar ministerie een dergelijke schriftuur niet is ingediend,
kanhet door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf, niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Die bepaling is volgens de Hoge Raad mede van toepassing op een geval als het onderhavige, waarin de schriftuur niet tijdig is ingediend (Hoge Raad 7 juli 2009, LJN BI 4078).
De officier van justitie heeft in dit geval op 20 februari 2013 hoger beroep ingesteld en op 7 maart 2013 is een schriftuur houdende grieven ingediend, dus niet binnen veertien dagen na het instellen van het appel.
De vraag die het hof moet beantwoorden, is of het belang van het hoger beroep zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om tijdig een appelschriftuur in de dienen.
Door de advocaat-generaal is geen reden gegeven ter rechtvaardiging van de te late indiening van de appelschriftuur. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het vonnis (zijnde een uitgewerkt promis-vonnis) kort na het wijzen daarvan aan partijen is verstrekt. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in combinatie met de beperkte omvang en de eenvoud van het strafdossier en de inhoud en strekking van de appelschriftuur – zijnde in feite een herhaling van het ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde schriftelijk requisitoir - is het hof van oordeel dat, ondanks het gegeven dat de termijnoverschrijding beperkt is geweest, het belang van het ingestelde beroep in het onderhavige geval niet prevaleert boven het belang van sanctionering van het verzuim. Voorts overweegt het hof dat naar zijn oordeel geen sprake is van een zaak van een dergelijk maatschappelijk belang dat het hoger beroep ondanks de niet verschoonbare termijnoverschrijding dient te worden behandeld.
Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de advocaat-generaal om aanhouding van de zaak, teneinde haar in de gelegenheid te stellen de reden van de termijnoverschrijding te achterhalen, af. Het hof is van oordeel dat dit verzoek tardief is, nu voor het achterhalen van deze reden sinds het (te laat) indienen van de appelschriftuur tot aan de terechtzitting in hoger beroep voldoende tijd en gelegenheid is geweest.
Het hof zal om bovengenoemde redenen het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. H.A. van Eijk en mr. L.I.M. van Bergen, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 april 2015.