Uitspraak
mr. G.M.Y. Bloklandte Amsterdam,
mr. T. Mulderte Almere.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak vordert appellant voortzetting van de huurovereenkomst van een woning die was verhuurd aan zijn overleden broer. Appellant had zich op het adres ingeschreven tot oktober 2011 en opnieuw op de overlijdensdatum van zijn broer in november 2012. Hij verzocht om voortzetting van de huurovereenkomst, maar Ymere wees dit af. Appellant stelde dat hij met zijn broer een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en hem verzorgde.
De kantonrechter wees de vordering af omdat appellant de vordering niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden na overlijden had ingediend en onvoldoende bewijs had geleverd van het hoofdverblijf en de gemeenschappelijke huishouding. Het hof bevestigt dat appellant zijn vordering een dag te laat heeft ingediend en verklaart hem daarom niet-ontvankelijk. Daarnaast oordeelt het hof dat appellant ook bij tijdige indiening onvoldoende feiten heeft aangevoerd om voortzetting van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.
Het hof benadrukt dat het feit dat appellant zich ruim een jaar voor het overlijden uitschreef van het adres en pas weer inschreef op de overlijdensdatum een belangrijke contra-indicatie vormt voor het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en hoofdverblijf. Het arrest bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst af wegens niet-ontvankelijkheid en onvoldoende bewijs van hoofdverblijf en duurzame gemeenschappelijke huishouding.