Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
zegt cliënt (…) de huurovereenkomst (…) op tegen 30 september 2013. Als reden voor de opzegging geldt dat u zich niet heeft gedragen zoals het een goed huurder betaamt. Daartoe geldt het volgende. Bij aanvang van de huurovereenkomst is overeengekomen dat u een waarborgsom zou storten van € 2.400. U heeft zich daarna op het standpunt gesteld dat die waarborgsom te hoog zou zijn geweest en u heeft het (volgens u) te veel betaalde vervolgens verrekend met de verschuldigde huurprijs.
, leidt er niet onmiddellijk toe dat [geïntimeerde] zich niet als goed huurder opstelt en sprake is van een zo ernstige tekortkoming dat deze tot beëindiging moet leiden. Die situatie kan zich wellicht voordoen op het moment dat [geïntimeerde] nalaat aan die betalingsverplichting te voldoen, maar er is geen aanleiding dit te veronderstellen. Overige omstandigheden die een zo ernstige tekortkoming aan de zijde van [geïntimeerde] opleveren, zijn gesteld noch gebleken.”
grief I in principaal appelkomt [appellant] tegen deze overweging op. Het hof oordeelt als volgt.
grief II in principaal appel, die is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter over de andere opzeggingsgrond van [appellant] (de door deze voorgenomen renovatie) geen bespreking, evenmin als de overige hiervoor niet besproken stellingen van partijen.