In deze bestuursrechtelijke zaak ging het om een hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarin de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde tegen een uitnodiging tot betaling (UTB) van antidumpingrechten op spaarlampen. De minister stelde dat de spaarlampen van Chinese oorsprong waren, terwijl belanghebbende aangaf dat zij als Vietnamese oorsprong waren aangegeven.
Het Hof stelde vast dat de minister voldoende bewijs had geleverd via een OLAF-rapport waarin was vastgesteld dat de spaarlampen van Chinese oorsprong waren, geleverd door een Vietnamese exporteur die de lampen uit China importeerde. Belanghebbende betwistte dit niet concreet per aangifte. Daarnaast was er discussie over het verdedigingsbeginsel, omdat niet alle fyco-formulieren van fysieke controles aan belanghebbende waren verstrekt. Het Hof oordeelde dat de minister deze formulieren niet kon overleggen omdat deze niet beschikbaar waren ten tijde van het opleggen van de UTB.
Verder stelde belanghebbende dat sprake was van een vergissing van de douaneautoriteiten omdat fysieke controles hadden plaatsgevonden zonder correctie van de oorsprong. Het Hof verwierp dit en stelde dat fysieke controle niet automatisch betekent dat de werkelijke oorsprong kon worden vastgesteld. De minister had niet onjuist gehandeld en was niet gehouden af te zien van navordering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.