De maatschap Beatrixstraat heeft in eerste aanleg een verzoek tot faillietverklaring van de V&D groep ingediend wegens onbetaalde vorderingen en de toestand van opgehouden te betalen. De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet summierlijk was gebleken dat de V&D groep daadwerkelijk is opgehouden te betalen en omdat een herfinanciering aannemelijk was gemaakt.
In hoger beroep voerde de maatschap aan dat de vorderingen voldoende vaststonden en dat de V&D groep meerdere schuldeisers onbetaald liet, waaronder een grote vordering van de belastingdienst en een substantiële vordering van een curator. De V&D groep betwistte deze stellingen en stelde dat zij haar lopende verplichtingen nakomt, de huurvorderingen heeft voldaan of in escrow heeft gestort, en dat afspraken over verrekening gelden.
Het hof oordeelde dat de vordering onder III niet opeisbaar is vanwege lopende afspraken en inventarisaties, en dat de vordering onder I is voldaan. De overige vorderingen zijn niet voldoende aannemelijk gemaakt als opeisbaar. Tevens is een herfinanciering aannemelijk en voldoet de V&D groep aan haar lopende verplichtingen. Daarom is onvoldoende gebleken dat de V&D groep is opgehouden te betalen.
Het hof bekrachtigt de afwijzing van het faillissementsverzoek en wijst verdere vorderingen af. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.