ECLI:NL:GHAMS:2015:2884
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- N. van der Wijngaart
- P. Greve
- A. Bockwinkel
- Rechtspraak.nl
Beklag tegen DNB-bestuurders wegens vermeende schending geheimhoudingsplicht afgewezen
Klager, voormalig voorzitter van de Raad van Bestuur van DSB Bank en indirect aandeelhouder, deed aangifte tegen DNB en haar toenmalige directieleden wegens opzettelijke schending van de wettelijke geheimhoudingsplicht in oktober 2009. Volgens klager informeerden beklaagden derden onverplicht over een aanvraag tot noodregeling, wat leidde tot een bankrun en uiteindelijk het faillissement van DSB Bank.
De officier van justitie seponerde de zaak wegens gebrek aan bewijs voor opzet. Klager diende een beklag in tegen deze beslissing. In raadkamer werden standpunten uitgewisseld: klager stelde dat beklaagden bewust of voorwaardelijk opzettelijk vertrouwelijke informatie hadden gelekt, terwijl beklaagden stelden dat het informeren van derden binnen hun wettelijke toezichthoudende taak viel.
Het hof oordeelde dat de informatieverstrekking viel onder de uitvoering van de wettelijke taak van DNB en dat geen aanwijzingen bestonden voor opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht. Ook het ontbreken van een protocol of expliciete geheimhoudingsverzoeken aan derden leidde niet tot een ander oordeel. Het hof achtte een veroordeling niet aannemelijk en wees het beklag af.
Uitkomst: Het beklag tegen DNB-bestuurders wegens vermeende opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.