Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.MR. B. VAN LEEUWEN Q.Q.
MR. P.E. BUTTERMAN Q.Q.
Gerechtshof Amsterdam
Op 13 december 2011 werd Zeeland Aluminium Company N.V. (Zalco) failliet verklaard en curatoren benoemd. Glencore had een derdenpandrecht op het aluminium van Zalco, dat zich bij faillissement deels in vloeibare toestand in ovens bevond. Na het faillissement werd het productieproces stilgelegd en het aluminium gestold. Curatoren erkenden het pandrecht, maar stelden een termijn voor executie ex art. 58 Fw Pro. Glencore legde pandhoudersbeslag en vorderde in kort geding verbod aan derden om het aluminium te verwijderen of verkopen. Diverse procedures volgden, waarbij curatoren en derden het beslag betwistten en het hof eerdere vonnissen bekrachtigde.
Glencore vorderde in een incident ex art. 223 Rv Pro dat curatoren verboden wordt het aluminium op te eisen en te verkopen zolang de hoofdzaak loopt. De rechtbank wees dit af, stellende dat na het verstrijken van de termijn ex art. 58 Fw Pro curatoren bevoegd zijn tot opeising en verkoop, tenzij sprake is van misbruik van bevoegdheid. Glencore ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Het hof stelde vast dat curatoren onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat een voortvarende verkoop noodzakelijk was en dat de verkoop aan een gelieerde vennootschap (Zalco B.V.) tegen voorwaarden zou plaatsvinden die mogelijk de waarde drukken. Ook waren er geen inspanningen verricht om verkoop te realiseren sinds het arrest van de Hoge Raad. Gezien het belang van Glencore om haar pandrecht te kunnen effectueren en het ontbreken van bewijs van misbruik, oordeelde het hof dat het belang van Glencore prevaleert en verbood het curatoren voorlopig het aluminium op te eisen en te verkopen tot de hoofdzaak is beslist.
Uitkomst: Curatoren is bij voorlopige voorziening verboden het aluminium op te eisen en te verkopen totdat de hoofdzaak is beslist.