Uitspraak
kantoorhoudende te Rosmalen,
gevestigd te Oisterwijk,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
3.Uitgangspunten in cassatie
De gangbare termijn voor dit traject bedraagt vier tot zes weken.”
De curator heeft Rabobank op 12 november 2010 gedagvaard in kort geding en afgifte van de zaken gevorderd. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 18 november 2010 Rabobank verboden om de zaken onderhands dan wel in het openbaar te verkopen, tenzij de opbrengst bij de notaris in depot zou worden gehouden totdat in een bodemprocedure zou worden vastgesteld wie rechthebbende is op die opbrengst.
De mogelijkheid van het stellen van de termijn is aan de curator gegeven om hem in de gelegenheid te stellen spoedig duidelijkheid te krijgen over de omvang van de boedel, uitgaande van de veronderstelling dat de boedel niet gebaat is met een talmende separatist.
Met art. 58 Fw Pro wordt beoogd de vereffening van de boedel te bevorderen ten behoeve van de crediteuren, die op een uitkering uit de boedel zijn aangewezen. Het opeisen van de zaken en het vervolgens door de curator executeren daarvan na het verstrijken van de gestelde termijn heeft tot gevolg dat de zekerheidsgerechtigde crediteur zijn separatistenpositie heeft verloren en dat hij zal moeten bijdragen in de omslag van de algemene faillissementskosten. Deze bevoegdheid tot opeisen na het verlopen van de termijn is een bevoegdheid die de curator om dezelfde redenen heeft verkregen als het stellen van die termijn: nu de boedel niet gebaat is bij een talmende separatist zal de curator zelf het heft in eigen handen moeten nemen. (rov. 4.4.1)
De schade die Rabobank heeft geleden door het optreden van de curator bestaat uit het verschil tussen de netto-opbrengst die zij als executerend pandhouder zou hebben gegenereerd (indien de curator geen fout zou hebben gemaakt en conform het door hem opgewekte vertrouwen zou hebben meegewerkt aan een verlenging van de termijn) en de uitkering die zij uit het faillissement zal ontvangen, rekening houdende met haar hoge voorrang en de omslag in de faillissementskosten. Uit de stellingen van partijen begrijpt het hof dat het faillissement nog loopt en er geen tussentijdse uitkering aan Rabobank in dit verband is gedaan. Hiermee staat vast dat de schadevergoeding die aan Rabobank ter zake toekomt dus een gelijke hoogte heeft aan de netto-executieopbrengst. Het hof verstaat de vorderingen van Rabobank aldus. (rov. 4.4.5)
4.Beoordeling van het middel in het principale beroep
(en eventueel door de rechter-commissaris verlengde) termijn van rechtswege en zonder meer leidt tot het verval van de hoedanigheid van separatist, althans dat het opeisen van goederen door de curator op de voet van art. 58 lid 1 Fw Pro van rechtswege en zonder meer leidt tot het verval van de hoedanigheid van separatist.
Met een en ander heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat in de omstandigheden van dit geval de curator bij de uitoefening van de voor hem uit art. 58 lid 1 Fw Pro voortvloeiende bevoegdheid om de zaken op te eisen, misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW Pro kan worden verweten.
Deze belangenafweging heeft het hof gebracht tot de bevinding dat sprake is van onevenredigheid tussen het belang van de curator en het belang van Rabobank in de zin van art. 3:13 lid Pro 2, laatste zinsnede, BW.
5.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
6.Beslissing
€ 2.200,-- voor salaris;
6 februari 2015.