Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
.
Gerechtshof Amsterdam
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van een jaar, welke door de rechtbank was afgewezen. De Raad ging in hoger beroep tegen deze beschikking. De moeder, de vader en Jeugdbescherming Regio Amsterdam namen deel aan de procedure.
Uit het dossier en het NIFP-rapport bleek dat de moeder een belaste voorgeschiedenis heeft, waaronder PTSS en trekken van een borderline stoornis, en dat zij onvoldoende stabiele opvoedkundige vaardigheden heeft ontwikkeld. De vier oudste kinderen waren reeds uit huis geplaatst. Het NIFP-rapport gaf aan dat de moeder een langdurig persoonlijk behandeltraject nodig heeft om gedragsverandering te bereiken, maar dat er momenteel geen verstoorde ouder-kindrelatie of kind-eigen problematiek bij de minderjarige bestaat.
De Raad stelde dat de moeder onvoldoende in staat is om de minderjarige veilig op te voeden en dat uithuisplaatsing noodzakelijk is om verdere schade te voorkomen. De moeder en de vader betoogden dat de minderjarige zich goed ontwikkelt, dat de moeder zich inzet en dat het in het belang is dat het kind bij de moeder blijft. Het hof oordeelde dat de geconstateerde risicofactoren niet zodanig zijn dat uithuisplaatsing op dit moment noodzakelijk is, mede gezien de veilige verblijfsomgeving en het contactverbod tussen moeder en vader.
Het hof benadrukte dat de moeder de geadviseerde hulpverlening moet accepteren en actief moet deelnemen om toekomstige schade en uithuisplaatsing te voorkomen. De bestreden beschikking werd daarom bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wegens het ontbreken van noodzakelijke gronden.