Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat aan de zijde van de moeder sprake is van een zeer belaste voorgeschiedenis, dat zij ten aanzien van vier kinderen (uit een andere relatie) is ontheven uit het gezag, dat LJ&R belast is met de voogdij over die kinderen en dat [dochter] onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst. Er zijn als gevolg hiervan al jarenlang verschillende vormen van hulpverlening betrokken (geweest) bij de moeder. De vader was niet op de hoogte van het bestaan van de voorgeschiedenis van de moeder en van haar andere kinderen en is daarmee pas geconfronteerd toen een beschermingsonderzoek werd gestart ter gelegenheid van moeders zwangerschap van [de minderjarige] . Er bestaan zorgen ten aanzien van de thuis- en opvoedsituatie bij de ouders, ten aanzien van de spanningen in hun verhouding alsmede ten aanzien van hun opvoedvaardigheden. [de minderjarige] is naar aanleiding van deze zorgen voor haar geboorte onder toezicht gesteld en zij is direct na haar geboorte uit huis geplaatst en sindsdien woont zij in het netwerkpleeggezin van de zus van de vader.
Ten aanzien van de moeder is gebleken dat zij in augustus 2012 is onderzocht door INTER-PSY en uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat bij de moeder sprake is van een verstandelijke beperking en dat zij door haar kwetsbaarheid en gebrek aan ziekte inzicht structureel ondersteuning en begeleiding nodig heeft op alle levensgebieden. Voor zover de moeder betwist dat zij dit onderzoek zelf heeft ondergaan, heeft zij dit naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Uit de door de ouders overgelegde brief van 30 september 2014 van Amici Psychologen blijkt verder dat de moeder presteert op moeilijk lerend niveau. Uit de brief van 3 september 2014 van Amici Psychologen blijkt dat de vader geen hulpvraag heeft en geen psychische klachten ervaart en dat hij niet onderzocht is omdat er geen psychologische onderzoeken worden uitgevoerd in opdracht van externe opdrachtgevers, maar alleen wanneer dit binnen het behandeltraject van de hulpvraag van de cliënt past en er sprake is van een as I DSM diagnose.
Aan de ouders is bij brief van 29 april 2014 een schriftelijke aanwijzing gegeven (deze is door de ouders op 16 mei 2014 ontvangen) waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaraan zij dienen te voldoen alvorens kan worden beoordeeld in hoeverre de ouders gezamenlijk of afzonderlijk een rol kunnen spelen in de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . De voorwaarden betreffen onder meer het opvoedkundig handelen door de ouders, de woonsituatie van de ouders en het accepteren door de ouders van de noodzakelijk geachte onderzoeken, hulpverlening en begeleiding en de medewerking van de ouders daaraan. In mei 2014 is Parlan op verzoek van LJ&R gestart met een adviseringstraject tijdens welk traject aan de hand van het maken van een zogeheten beoordelingsboog wordt beoordeeld wat het gewenste toekomstperspectief van een kind is. In dit kader zijn onder meer (tweewekelijks) gesprekken met de ouders gevoerd, huisbezoeken bij de pleegouders afgelegd, is Therapeutische gezinsbehandeling ingezet en de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] geobserveerd. Uit het tussentijds adviesverslag van Parlan van 29 augustus 2014 komt naar voren dat er vanaf de uithuisplaatsing van [de minderjarige] aanvankelijk elke week gedurende een uur onder begeleiding van de gezinsmanager omgang plaatsvond bij de pleegouders thuis. Vanaf 25 maart 2014 werd de omgang ook begeleid door een pleegzorgbegeleider. Gedurende de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] is geconstateerd dat de ouders weliswaar lief en zorgzaam zijn maar dat zij ook afwachtend zijn, geen initiatief nemen, aansturing nodig hebben, de aanwijzingen en tips niet altijd toepassen en de vader soms ook geïrriteerd op [de minderjarige] reageert. Voorts blijkt uit voormeld verslag dat de persoonlijk begeleider van de moeder van Kinderwijs, waar de moeder van juli 2012 tot en met december 2012 met [dochter] begeleid heeft gewoond, op grond van de ervaringen met de begeleiding van de moeder en [dochter] , LJ&R adviseert om [de minderjarige] nooit alleen te laten met de moeder. Uit het verslag komt voorts naar voren dat de ouders een wisselend beeld laten zien van de spanningen in hun relatie en dat zij beiden signalen afgeven dat deze spanningen er wel degelijk zijn. Ten slotte blijkt uit het verslag dat ouders wantrouwend staan tegenover de hulpverlening en dat (nog) niet voldaan is aan de door LJ&R gestelde voorwaarden. De moeder wordt vanwege haar persoonlijke problematiek niet in staat geacht de zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen. Ten aanzien van de vader wordt opgemerkt dat hij veel spanningen ervaart door de uithuisplaatsing en voelt dat er veel van hem verwacht wordt; de vraag wordt gesteld of hij in staat zal zijn om de risico factoren die er zijn te compenseren met beschermende factoren. Uit het adviesverslag van 4 december 2014 blijkt dat Parlan LJ&R op 28 november 2014 het eindadvies heeft gegeven om [de minderjarige] niet bij de ouders op te laten groeien. De ouders hebben niet voldaan aan de gestelde voorwaarden en Parlan is van mening dat zij [de minderjarige] niet de opvoeding kunnen bieden die zij nodig heeft. De ouders hebben gedurende het adviestraject te weinig stappen gemaakt en er is onvoldoende zicht gekomen op de ontwikkeling van de vader. Uit het eindadvies blijkt verder dat [de minderjarige] zich aan het hechten is in het pleeggezin en daar een veilige plek heeft.
De vader heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij zowel met zijn zus (de pleegmoeder) als met zijn vader nauwelijks tot geen contact meer heeft, nadat zij lieten blijken dat [de minderjarige] het beste in een pleeggezin kan opgroeien. Voorts is ter zitting in hoger beroep gebleken dat er thans een keer in de vier weken gedurende een uur begeleide omgang plaatsvindt tussen de ouders en [de minderjarige] op het kantoor van Parlan.
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de gronden voor zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en thans nog aanwezig zijn. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de beoordelingsboog een zeer intensief traject is geweest waarin op verschillende wijzen is onderzocht in hoeverre de ouders in staat zijn om voor [de minderjarige] te zorgen. Gebleken is dat de ouders liefdevol en betrokken zijn, maar dat zij over onvoldoende draagkracht en vaardigheden beschikken om [de minderjarige] de verzorging en opvoeding te bieden die zij nodig heeft. Hoewel na de plaatsing van [de minderjarige] in het netwerkpleeggezin sprake was van een intensieve omgangsregeling, is er onvoldoende band ontstaan tussen de ouders en [de minderjarige] , mede als gevolg van het gegeven dat de ouders onvoldoende in staat zijn gebleken om aan te sluiten bij de belevingswereld van [de minderjarige] . Aan de zijde van de moeder is bovendien gebleken dat zij als gevolg van haar verstandelijke beperking onvoldoende inzicht heeft in haar eigen functioneren, in haar opvoedingsverantwoordelijkheden en in hetgeen zij als opvoeder aan ondersteuning nodig heeft. Ten aanzien van de vader is gebleken dat hij de hulpverlening wantrouwt en dat hij over onvoldoende inzicht beschikt in de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] en daarmee de belasting die haar opvoeding en verzorging meebrengt onderschat. Ten slotte is van belang dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt en positief is gehecht in het huidige pleeggezin. Het hof is anders dan de ouders van oordeel dat sprake is van een gedegen en zorgvuldig onderzoek en dat de ouders voldoende kansen hebben gekregen om te laten zien dat zij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] aan kunnen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.