ECLI:NL:GHAMS:2015:3197
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens ontbreken noodzakelijke gronden
In deze zaak staat het verzoek van Jeugdbescherming regio Amsterdam (JBRA) centraal tot het verkrijgen van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, wiens hoofdverblijfplaats recentelijk bij de vader is vastgesteld. De moeder en de minderjarige verblijven echter sinds oktober 2014 op een onbekend adres, nadat de moeder de minderjarige zonder toestemming heeft meegenomen. JBRA stelt dat de minderjarige zich in een onveilige opvoedsituatie bevindt en dat er sprake is van loyaliteitsproblematiek en emotionele schade.
De vader betwist de noodzaak van uithuisplaatsing en stelt dat de minderjarige zich positief ontwikkelt en een goede band met beide ouders heeft. Hij wijst erop dat de communicatieproblemen tussen de ouders geen reden zijn voor uithuisplaatsing en dat JBRA niet alle alternatieven heeft uitgeput.
Het hof oordeelt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van het verzoek in Nederland was, waardoor het hof bevoegd is de zaak te behandelen. Hoewel de strijd tussen de ouders ernstig is en de minderjarige emotionele schade oploopt, is onvoldoende onderbouwd dat uithuisplaatsing noodzakelijk is. Het risico bestaat dat de strijd zich na uithuisplaatsing zal richten op het pleeggezin, wat de ontwikkeling van de minderjarige verder zou schaden.
Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking van de kinderrechter en wijst het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing af, waarbij het belang van het achterhalen van de verblijfplaats van de minderjarige en het terugleiden naar de vader centraal staat.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing af en bekrachtigt de bestreden beschikking.