Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2002 gehuwd en in 2013 gescheiden. De man betaalde sinds 2010 een bijdrage aan de vrouw. De rechtbank had de partneralimentatie vastgesteld op €4.916,- bruto per maand met een afbouw over vijf jaar zonder wettelijke indexering. De vrouw ging in hoger beroep voor een hogere en langere alimentatie, de man stelde voor een lagere bijdrage.
Het hof heeft de behoefte van de vrouw opnieuw beoordeeld aan de hand van een behoeftelijst en kwam uit op een netto behoefte van €3.574,- per maand (€6.464,- bruto). Het hof nam diverse kostenposten in overweging, waaronder huur, energie, boodschappen, kleding, persoonlijke verzorging, massages, vervoer, zorgverzekering, reizen en overige kosten.
Het hof oordeelde dat de vrouw door het huwelijk een achterstand op de arbeidsmarkt heeft en gezondheidsklachten heeft, waardoor zij momenteel niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. Wel wordt van haar verwacht dat zij zich inspant om dit op termijn te verbeteren. Daarom werd de alimentatie vastgesteld op €6.464,- per maand met een afbouw over acht jaar, waarbij na vijf jaar jaarlijks 25% wordt afgebouwd tot nihil in het achtste jaar. De wettelijke indexering wordt wel toegepast.
De man moet de alimentatie vanaf 23 december 2013 betalen en de bijdrage wordt jaarlijks verlaagd vanaf 2018 tot nihil in 2021. Iedere partij draagt de eigen proceskosten. Het hoger beroep van de vrouw is gedeeltelijk toegewezen, het incidenteel hoger beroep van de man afgewezen.
Uitkomst: De partneralimentatie wordt vastgesteld op €6.464,- per maand met een afbouw over acht jaar en toepassing van wettelijke indexering.