Uitspraak
Omvang van het hoger beroep
[persoon 1]
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin de veroordeelde was veroordeeld voor medeplichtigheid aan een overtreding van de Opiumwet en werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van €5.000 aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
In hoger beroep richtte de veroordeelde zich uitsluitend tegen de ontnemingsvordering. Het hof heeft vastgesteld dat de hennepplanten die in de woning van de veroordeelde werden aangetroffen niet tot een oogst hebben geleid, zodat geen voordeel uit deze kwekerij kan zijn genoten. Verder is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een eerdere oogst heeft plaatsgevonden waaruit de veroordeelde voordeel heeft genoten.
De door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten, zoals kalkaanslag op potten en hennepresten, kunnen ook wijzen op het gebruik van tweedehands materialen en opslag door anderen die de woning gebruikten. Er is geen aanwijzing dat de veroordeelde beschikte over geldmiddelen die duiden op een eerdere oogst.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de politierechter voor zover het de ontnemingsvordering betreft en wijst deze vordering af. De veroordeelde hoeft geen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen.
Uitkomst: Het hof wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel.