Verdachte heeft in de periode van 30 augustus tot en met 26 september 2011 te Middelie een grote hoeveelheid bedrijfsafvalstoffen, bestaande uit houten pallets met plastic, op en in de bodem van een weiland gestort zonder vergunning of vrijstelling. Hij stelde dat de pallets nuttig werden toegepast ter versteviging van de bodem en oevers, waardoor deze niet als afvalstof zouden kwalificeren.
Het hof oordeelde dat de voorwaarden voor het einde-afvalfase zoals gesteld in artikel 6, tweede lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen niet waren vervuld. De pallets bleven afvalstoffen en het storten ervan was een overtreding van artikel 10.2 Wet milieubeheer. Het feit dat het Hoogheemraadschap geen dwangsombesluit oplegde, deed hieraan niets af.
De rechtbank had verdachte in eerste aanleg ontslagen van rechtsvervolging, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde verdachte tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €2.000 met een proeftijd van twee jaar. Hierbij werd ook rekening gehouden met een eerdere veroordeling van verdachte voor milieuregelgeving.
Het hof benadrukte dat verdachte strafbaar is voor het opzettelijk ontdoen van afvalstoffen zonder vergunning, en dat de milieuvoorschriften strikt moeten worden nageleefd om milieuschade te voorkomen.