In hoger beroep is de verdachte vervolgd voor poging tot diefstal met geweld tegen een weerloos slachtoffer op 30 november 2014 te Amsterdam. De rechtbank had verdachte vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten, maar het hof verklaart hem niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen die vrijspraak.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander het slachtoffer heeft geduwd, geslagen, gestompt en getrapt terwijl het slachtoffer op de grond lag, daarbij dreigend om geld te eisen en diens zakken doorzocht. Het hof verwerpt de bewijsverweren van de verdediging en oordeelt dat het geweld en de poging tot diefstal strafbaar zijn.
De verdachte is recidivist met een strafblad voor vermogens- en geweldsdelicten en lijdt aan zwakbegaafdheid, persoonlijkheidsstoornis en verslavingsproblemen. Gelet op de ernst van het feit, het zware geweld en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, legt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden op, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis.
Het hof wijst het beroep van de verdediging af dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten zijn wegens onrechtmatig vuurwapengebruik door een verbalisant. Het hof stelt dat het vuurwapengebruik geoorloofd was en dat er geen onherstelbaar vormverzuim is. De strafvoorwaarden uit eerste aanleg worden gewijzigd vanwege het ontbreken van medewerking van de verdachte aan klinische behandeling.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 september 2015.