Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Verdere feiten
3.Verdere beoordeling
–mede gezien de omstandigheid dat de vrouw de cursus Nederlands niet heeft afgerond – voldoende aannemelijk dat de vrouw de Franse taal, die zij vloeiend spreekt, beter beheerst dan de Nederlandse en dat de vrouw in Frankrijk beter in staat zal zijn om een sociaal en professioneel netwerk op te bouwen. Gelet hierop en het feit dat zij in Frankrijk een HBO‑opleiding heeft afgerond, heeft de vrouw voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in Frankrijk betere kansen op de arbeidsmarkt heeft dan in Nederland. Niet in geschil is dat de vrouw vóór haar verhuizing naar Frankrijk een bijstandsuitkering ontving en derhalve op dat moment geen werk had in Nederland. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw tijdens het huwelijk, althans sinds de geboorte van de kinderen, substantieel heeft gewerkt in Nederland. Weliswaar is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de vrouw thans in Frankrijk wederom een uitkering voor haar en de kinderen ontvangt, doch zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij na haar verhuizing in 2014 gedurende drie maanden bij de Attijariwafa bank Europe heeft gewerkt. De stelling van de man dat de door de vrouw in dit verband overgelegde arbeidsovereenkomst vals zou zijn, is door de vrouw voldoende gemotiveerd betwist aan de hand van een tweetal door haar in het geding gebrachte salarisspecificaties.