ECLI:NL:GHAMS:2015:4697

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 oktober 2015
Publicatiedatum
12 november 2015
Zaaknummer
23-002803-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing ontnemingsvordering medeplegen afpersing met pondspondsgewijze toerekening

In deze ontnemingsprocedure vorderde het openbaar ministerie betaling van een bedrag van ruim €1,2 miljoen aan wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde, veroordeeld voor medeplegen van afpersing en gewoontewitwassen. De rechtbank legde een ontnemingsverplichting van €1.123.000 op, welke in hoger beroep werd bevestigd, maar door de Hoge Raad werd vernietigd en teruggewezen.

Het hof heeft na hernieuwd onderzoek het vervolgprofijt vastgesteld op €41.231,50 en het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel op €1.164.231,50, verminderd met de reeds toegekende schadevergoeding aan de benadeelde partij van €1.125.500. De verklaring van de medeveroordeelde maakte duidelijk dat het voordeel gelijkelijk was verdeeld, waardoor het hof het voordeel pondspondsgewijs toerekent.

De redelijke termijn is overschreden, maar het hof ziet hiervan af om in deze ontnemingszaak compensatie toe te passen, omdat dit in de strafzaak reeds is gedaan. Uiteindelijk legt het hof de verplichting tot betaling aan de Staat vast op €19.365,75. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 27 oktober 2015.

Uitkomst: Het hof legt de ontnemingsverplichting vast op €19.365,75 en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de Staat.

Uitspraak

Parketnummer: 23-002803-13
Datum uitspraak: 27 oktober 2015 (ONTNEMINGSPROCEDURE)
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 4 juni 2013 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2009 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-529029-08 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 1.218.150.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2009 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van het medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd en het medeplegen van gewoontewitwassen.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 18 maart 2009 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.123.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en heeft daarbij bepaald dat deze verplichting bestaat behoudens voor zover deze reeds door of namens een ander is betaald.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Het hof heeft in hoger beroep bij arrest van 22 juni 2010 het vonnis van de rechtbank in de ontnemingszaak bevestigd, met dien verstande dat in plaats van het vonnis van de rechtbank het arrest van het hof van 22 juni 2010 als grondslag werd gehanteerd.
De veroordeelde heeft cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest van het hof van 22 juni 2010.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 4 juni 2013 het arrest van het hof in de ontnemingszaak van 22 juni 2010 vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht.
In de strafzaak heeft de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 8 januari 2013 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch
uitsluitendwat betreft de ten aanzien van het onder 2 sub A ten laste gelegde gegeven beslissing en de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 13 en 16 februari 2009 en 4 maart 2009 en, na terugwijzing, op de terechtzitting van dit hof van 13 oktober 2015.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 20.615,75 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal is tot dit bedrag gekomen door bij het daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel het vervolgprofijt (ad € 41.231,50) op te tellen, vervolgens rekening te houden met de aan de benadeelde derde in rechte toegekende vordering (ad € 1.123.000) en uit te gaan van een pondspondsgewijze verdeling van het voordeel over de veroordeelde en haar medeveroordeelde.
Standpunt raadsman
De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat – bepleit dat, nu de door het hof bij arrest van 22 juni 2010 genomen beslissing op de vordering van de benadeelde partij in cassatie in stand is gebleven, de aan de benadeelde partij toegewezen schadevergoeding van het te schatten wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden afgetrokken.
Voorts heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de raadsman van de medeveroordeelde dat het dossier geen aanknopingspunten bevat om het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toe te rekenen aan de veroordeelde en de medeveroordeelde. Bij ontbreken van aanwijzingen voor toerekening, zal deze voor de veroordeelde op nihil moeten worden gesteld.
Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn heeft de raadsman voorgesteld het eventueel te ontnemen geldbedrag met 5% te matigen.
Beoordeling
Het hof volgt de advocaat-generaal in de vaststelling van het vervolgprofijt over de inbeslaggenomen geldbedragen – zoals dat is berekend in de ter terechtzitting overgelegde renteberekeningen – tot een bedrag van € 41.231,50. Het hof neemt verder als uitgangspunt het door afpersing verkregen geld en als zodanig als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken bedrag groot € 1.123.000, met dien verstande dat het hof rekening zal houden met de inmiddels onherroepelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] van in totaal € 1.125.500, inclusief de incassokosten € 2.500. Immers, op grond van artikel 36e, negende lid van het Wetboek van Strafrecht worden bij de bepaling van de omvang waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat de aan de benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht.
Het hof komt derhalve tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
€ 1.123.000,00
(vervolgprofijt) + € 41.231,50
-----------------------
= € 1.164.231,50
(totaal vordering benadeelde derde) – € 1.125.500,00
-----------------------
= € 38.731,50
Een veroordeling ter zake van medeplegen van een misdrijf impliceert in de regel dat het (door dat misdrijf verkregen) voordeel aan verschillende personen ten goede is gekomen. Uit de verklaring van de medeveroordeelde, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2010, en waarbij de veroordeelde zich heeft aangesloten, volgt dat zij beiden de geldbedragen hebben ontvangen. Voornoemde verklaring van de veroordeelde houdt in:
“In of omstreeks de periode februari 2007 tot en met april 2007 hebben ik en [medeverdachte] € 223.000 gekregen van [benadeelde]; in of omstreeks de periode maart 2007 tot en met april 2007 € 150.000; In of omstreeks de periode juni 2007 € 250.000; op of omstreeks 20 september 2007 € 250.000; op 20 december 2007 € 250.000 en op 25 maart 2008 € 180.000.”
Gelet hierop zal het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen aan de veroordeelde en schatten op € 38.731,50 : 2 = € 19.365,75.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof stelt vast dat in de ontnemingszaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Ook in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak, in welke zaak het hof heden eveneens uitspraak doet, is de redelijke termijn overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden wordt door het hof toegepast in de strafzaak. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om in de onderhavige zaak eveneens consequenties te verbinden aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. Het hof zal in de ontnemingszaak dan ook volstaan met louter de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.
Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 19.365,75.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
19.365,75 (negentienduizend driehonderdvijfenzestig euro en vijfenzeventig eurocent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 19.365,75 (negentienduizend driehonderdvijfenzestig euro en vijfenzeventig eurocent).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. P.C. Römer en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van mr. M. Helmers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 oktober 2015.
=========================================================================
[....]