ECLI:NL:GHAMS:2015:5010

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 november 2015
Publicatiedatum
3 december 2015
Zaaknummer
23-003156-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 27 Wetboek van StrafrechtArt. 27a Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens medeplegen invoer cocaïne van bijna 2,5 kilo

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van een hoeveelheid cocaïne op 2 mei 2015 te Schiphol.

De tenlastelegging betrof het medeplegen van invoer van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank omdat het niet beschikte over het proces-verbaal van de eerste aanleg, maar verklaarde het bewezen dat verdachte de cocaïne heeft ingevoerd. Andere tenlasteleggingen werden niet bewezen verklaard.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte werd bevestigd. Het hof legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, met aftrek van voorarrest. Deze straf is hoger dan de door de raadsman voorgestelde 27 maanden, vanwege recidive: verdachte was in 2010 al onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk delict gepleegd in 2009. Het hof benadrukte de schadelijkheid van cocaïne, de hoeveelheid bestemd voor handel en de maatschappelijke gevolgen van drugshandel.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 13 november 2015.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor medeplegen invoer van bijna 2,5 kilo cocaïne.

Uitspraak

parketnummer: 23-003156-15
datum uitspraak: 13 november 2015
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 juli 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-820433-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (destijds Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1961,
thans gedetineerd in PI Rijnmond - Gevangenis De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2015.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 02 mei 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof niet kan beschikken over een proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 mei 2015 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De door de verdachte ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moest zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het hof rekent dit de verdachte aan.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden op te leggen met verwijzing naar de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt bij de in- en uitvoer van een hoeveelheid van 2 tot 3 kilogram harddrugs een gevangenisstraf van 24 tot 30 maanden genoemd.
Hoewel, als gekeken wordt naar voornoemde oriëntatiepunten, een gevangenisstraf voor de duur van
27 maanden in beginsel passend wordt geacht bij de door de verdachte ingevoerde hoeveelheid cocaïne van bijna 2,5 kilo, acht het hof deze straf niet passend gelet op het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 oktober 2015 in 2010 voor een soortgelijk in 2009 gepleegd delict onherroepelijk is veroordeeld. Dit heeft hem er niet van weerhouden te recidiveren, hetgeen in zijn nadeel weegt. Het hof acht dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. N.A. Schimmel en mr. E.N. van der Spoel, in tegenwoordigheid van
mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
13 november 2015.
De voorzitter en de griffier zijn buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
[......]