Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
Klaagster diende een klacht in bij de kamer voor het notariaat tegen een notaris. De voorzitter van de kamer wees deze klacht als kennelijk niet-ontvankelijk af. Klaagster stelde hiertegen verzet in, maar de kamer verklaarde dit verzet ongegrond. Vervolgens stelde klaagster hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam tegen deze beslissing.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 99 van Pro de Wet op het notarisambt geen rechtsmiddel, zoals hoger beroep, openstaat tegen de beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is. Alleen indien een fundamenteel rechtsbeginsel zou zijn geschonden, zou een uitzondering kunnen gelden. In deze zaak zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel aantonen.
Daarom verklaarde het hof klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. De notaris heeft geen verweerschrift ingediend en was niet verschenen bij de zitting. De beslissing werd op 22 december 2015 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer namens het hof.
Uitkomst: Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat.