ECLI:NL:GHAMS:2015:5346
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot benoeming dochter als mentor wegens ongeschiktheid
In deze zaak stond de vraag centraal of appellante, de dochter van de rechthebbende, geschikt was als mentor voor haar moeder, die verblijft in een verzorgingstehuis met psychogeriatrische zorg. De kantonrechter had de Stichting Mentorschap Amsterdam tot mentor benoemd, maar appellante verzocht om haar als mentor te benoemen op grond van de wettelijke voorkeursregeling en de uitdrukkelijke wens van haar moeder.
Het hof oordeelde dat de rechthebbende door haar fysieke en geestelijke toestand niet in staat was een uitdrukkelijke voorkeur kenbaar te maken. Ondanks de wettelijke voorkeur voor een kind als mentor, waren er gegronde redenen om van deze voorkeur af te wijken. Er waren meerdere incidenten en conflicten tussen appellante en het personeel van het verzorgingstehuis, wat leidde tot beperkingen in haar bezoekrecht en een gespannen relatie met de zorginstelling.
Appellante weigerde ook samen te werken met de huidige mentor en toonde onvoldoende inzicht in de medische situatie van haar moeder. Het hof vond dat appellante niet in staat was haar emoties te beheersen en het belang van haar moeder voorop te stellen. Gezien deze omstandigheden bevestigde het hof de benoeming van de Stichting Mentorschap Amsterdam als mentor en wees het verzoek van appellante af. De proceskosten werden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: Het hof bevestigt de benoeming van Stichting Mentorschap Amsterdam als mentor en wijst het verzoek van de dochter af.