Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Amsterdam waarbij verdachte werd veroordeeld voor het vervoeren van ongeveer 9,13 gram cocaïne op 11 maart 2015.
De verdediging voerde aan dat de staande houding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond, en dat dit tot bewijsuitsluiting moest leiden. Het hof oordeelde echter dat hoewel sprake was van een vormverzuim, dit niet tot uitsluiting van het bewijs leidde omdat het nadeel voor verdachte niet was aangetoond en het belang van het ontdekken van het strafbare feit zwaarder woog.
De waarnemingen van de verbalisanten, waaronder het zien weggooien van een zwart cilindervormig voorwerp door verdachte en het aantreffen van bolletjes met cocaïne op die plek, vormden voldoende bewijs dat verdachte de cocaïne vervoerde. De eerdere veroordeling van verdachte en de ernst van het feit leidden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het bewezen verklaarde werd bevestigd en verdachte werd veroordeeld tot de genoemde gevangenisstraf.