Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
.
2.Stukken van het geding
3.Het vooronderzoek c.a.
De notaris heeft in de onderzochte dossiers gehandeld in strijd met de tuchtnorm van artikel 98 (oud) Wna. Niet op voorhand uitgesloten kan worden dat, alhoewel bij twee van de vier onderzochte projecten grotendeels een kantoorgenoot van de notaris betrokken is geweest, ook het eigen handelen of nalaten van de notaris daarbij verwijtbaar kan zijn geweest.
4.Het standpunt van het BFT
€ 19.118.581,20 aan depotgelden ontvangen (alle in deze beslissing genoemde bedragen in euro’s betreffen omgerekende bedragen voor zover de oorspronkelijke bedragen in guldens luidden). In het bijzonder is op 17 juli 2000 een bedrag van ruim € 16 miljoen op de derdengeldrekening bijgeschreven. In de periode van 18 februari 2002 tot en met 19 april 2005 is in 34 transacties voor een bedrag van in totaal € 19.654.935,79 (exclusief rente) aan depotgelden uitgekeerd. Op een bedrag van € 911.899,18 na zijn die gelden aan vennootschappen van werknemers van [C] uitbetaald. Volgens het BFT is [Z] te beschouwen als de behandelaar van deze dossiers en had hij zijn diensten moeten weigeren ter voorkoming van misbruik van de derdengeldrekening van het notariskantoor.
5.Het standpunt van de notaris
6.Beoordeling
[A]is het hof tot het oordeel gekomen dat de handelwijze van de notaris met betrekking tot de depotstorting op 17 juli 2000 van een bedrag van ruim € 16 miljoen op de derdengeldrekening van het notariskantoor tuchtrechtelijk verwijtbaar is. In zoverre komt het hof tot een ander oordeel dan de kamer. De beslissing van de kamer kan op dit punt niet in stand blijven en zal in zoverre worden vernietigd. Het hof zal op dit klachtonderdeel opnieuw beslissen.