Belanghebbende is eigenaar van twee bovenwoningen in Amsterdam, waarvan de WOZ-waarde voor 2013 ter discussie stond. De heffingsambtenaar had de waarden vastgesteld en deels gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarden niet te hoog waren, maar corrigeerde de proceskostenvergoeding.
In hoger beroep betwistte belanghebbende de waardering en de proceskostenvergoeding. Het Hof stelde vast dat de vergelijkingsobjecten van de heffingsambtenaar beter aansloten bij de woningen dan de door belanghebbende ingebrachte taxatiematrix. De renovatie van het pand en de staat van onderhoud werden meegewogen. De WOZ-waarden bleven daarmee ongewijzigd.
Het Hof vernietigde het oordeel van de rechtbank over de proceskostenvergoeding, verhoogde de vergoeding voor het taxatierapport en de beroepsfase en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van deze kosten en het griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, behoudens het oordeel over de WOZ-waarden.