Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding
2.De feiten
3.Het geschil
4.Beoordeling
De looptijd van voorlopige voorzieningen, EB 2013, 14 en H.A. Gerritse,
Praktijkgids Familie- en jeugdrecht, Maklu 2012, pag. 63).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak zijn twee verzoeken van de man behandeld: een verzoek tot schorsing van de werking van een gezagsbeschikking en een verzoek om een voorlopige omgangsregeling op grond van artikel 223 Rv Pro. De gezagsbeschikking kende het eenhoofdig gezag toe aan de vrouw en was uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof oordeelde dat het schorsingsverzoek niet toewijsbaar was omdat geen sprake was van een duidelijke juridische of feitelijke misslag in de gezagsbeschikking en geen noodtoestand voor de kinderen of de man zou ontstaan door voortgezette tenuitvoerlegging. Het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro werd niet-ontvankelijk verklaard omdat binnen de echtscheidingsprocedure een eigen regime voor voorlopige voorzieningen geldt (artikelen 821-826 Rv) en artikel 223 Rv Pro niet naast deze lex specialis kan worden toegepast.
Het hof gaf een uitgebreide uitleg over de geldigheidsduur van voorlopige voorzieningen met betrekking tot minderjarige kinderen binnen echtscheidingsprocedures, waarbij het belang van het kind centraal staat. Het verzoek om een voorlopige omgangsregeling, indien gegrond op de juiste wettelijke basis, zou desalniettemin worden afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende zicht op de situatie en belangen van de kinderen en ouders, en de noodzaak van hulpverlening en evaluatie.
De kosten van de procedure werden gecompenseerd tussen partijen. De beslissing werd op 26 april 2016 door het hof uitgesproken.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.