ECLI:NL:GHAMS:2016:1780

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 mei 2016
Publicatiedatum
10 mei 2016
Zaaknummer
200.185.011/01 GDW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing kamer gerechtsdeurwaarders

Klagers hebben een klacht ingediend tegen een gerechtsdeurwaarder, welke door de kamer voor gerechtsdeurwaarders als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Tegen deze beslissing tekenden zij verzet aan, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Klagers stelden in hoger beroep dat de beslissing onvolledig en onjuist was en dat het motiveringsbeginsel was geschonden.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat, tenzij een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Volgens vaste jurisprudentie vormt een motiveringsgebrek geen reden om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken.

Het hof concludeerde dat de klacht van klagers onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Daarom verklaarde het hof klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep en bevestigde de beslissing van de kamer. De zaak werd behandeld zonder aanwezigheid van partijen tijdens de mondelinge behandeling.

Uitkomst: Het hof verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.185.011/01 GDW
nummer eerste aanleg : 906.2015
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 10 mei 2016
inzake
1. [naam] ,
2. [naam] ,
beiden wonend te [plaats] ,
appellanten,
tegen
mr. [naam] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. [naam] te [plaats] .

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellanten (hierna tezamen te noemen: klagers) hebben op 4 februari 2016 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 22 december 2015 (ECLI:NL:TGDKG:2015:237), verzonden op 5 januari 2016.
1.2.
De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klagers tegen de beschikking van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer van 8 september 2015, waarbij de klacht van klagers tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond was afgewezen, ongegrond verklaard.
1.3.
De gerechtsdeurwaarder heeft zich bij brief van 8 maart 2016 gerefereerd aan het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van de klacht.
1.4.
Aan partijen is bericht dat de mondelinge behandeling zich in eerste instantie zou beperken tot de kwestie van de ontvankelijkheid. Bij e-mailbericht van 31 maart 2016 hebben klagers het hof bericht niet te zullen verschijnen op de geplande openbare terechtzitting van het hof van 7 april 2016. Op 5 april 2016 heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder telefonisch aan het hof bericht dat hij en de gerechtsdeurwaarder evenmin zullen verschijnen.
1.5.
De zaak is, voor zover het betreft de ontvankelijkheid van klagers in hun hoger beroep, op
7 april 2016 in raadkamer behandeld.
1.6.
Bij afzonderlijke brieven van 8 april 2016 heeft het hof aan partijen de uitspraakdatum medegedeeld.

2.Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie, waaronder het proces-verbaal van 24 november 2015 met daaraan gehecht een kopie van de pleitnota van klagers, en de hiervoor vermelde stukken.

3.De ontvankelijkheid van klagers in het hoger beroep

3.1.
Klagers hebben op 6 januari 2015 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. De plaatsvervangend voorzitter van de kamer heeft vervolgens bij beschikking van 8 september 2015 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Deze beschikking is aan klagers toegezonden, waarna klagers tijdig verzet hebben aangetekend tegen deze beschikking. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 24 november 2015. De kamer heeft bij beslissing van 22 december 2015 het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts worden afgeweken, indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klagers hebben in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de bestreden beslissing onvolledig en onjuist is, aangezien daarin niet is gerefereerd en getoetst aan de wet en algemene rechtsbeginselen. Geconcludeerd kan dan ook worden dat de bestreden beslissing geen grondslag kent en dat de kamer feitelijk het motiveringsbeginsel heeft geschonden, aldus klagers.
3.4.
De gerechtsdeurwaarder heeft het hof bericht dat hij de mening is toegedaan dat tegen de bestreden beslissing geen hoger beroep openstaat.
3.5.
Het hof is van oordeel dat de onder 3.2. vermelde uitzondering zich in de onderhavige zaak niet voordoet. Volgens vaste jurisprudentie vormt een motiveringsgebrek geen grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Dat klagers menen dat de bestreden beslissing gebrekkig is gemotiveerd, is daarom, wat daarvan ook zij, onvoldoende om te kunnen concluderen dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.6.
Het voorgaande leidt ertoe dat klagers niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 22 december 2015.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2016 door de rolraadsheer.