Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
7 april 2016 in raadkamer behandeld.
Gerechtshof Amsterdam
Klagers hebben een klacht ingediend tegen een gerechtsdeurwaarder, welke door de kamer voor gerechtsdeurwaarders als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Tegen deze beslissing tekenden zij verzet aan, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Klagers stelden in hoger beroep dat de beslissing onvolledig en onjuist was en dat het motiveringsbeginsel was geschonden.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat, tenzij een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Volgens vaste jurisprudentie vormt een motiveringsgebrek geen reden om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken.
Het hof concludeerde dat de klacht van klagers onvoldoende is om te concluderen dat sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Daarom verklaarde het hof klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep en bevestigde de beslissing van de kamer. De zaak werd behandeld zonder aanwezigheid van partijen tijdens de mondelinge behandeling.
Uitkomst: Het hof verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.