Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellante sub 2],
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak tussen buren over overbouw en gebruik van erfgrenzen heeft het Gerechtshof Amsterdam de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland afgewezen. De zaak betreft een conflict over de overbouw van een pand op een aangrenzend perceel, waarbij onder meer een nooddeur, dakopbouw, schroten, rioolbuizen en een erfgrensput onderwerp van geschil zijn.
De rechtbank had geoordeeld dat de overbouwers binnen vier maanden diverse bouwwerken en objecten moesten verwijderen en het gebruik van het perceel van de buren moesten staken, onder dreiging van dwangsommen. De overbouwers stelden dat het vonnis op juridische en feitelijke misslagen berustte, onder meer omdat stukken niet in het geding zouden zijn gebracht en dat door verjaring erfdienstbaarheden en rechten van uitweg zouden zijn ontstaan. Ook voerden zij aan dat de verwijdering van de nooddeur in strijd zou zijn met het Bouwbesluit.
Het hof oordeelde dat de gestelde misslagen niet klaarblijkelijk waren en dat de stukken wel degelijk in het dossier zaten. Het belang van de buren om hun perceel te kunnen benutten, mede vanwege een progressieve ziekte die een mantelzorgkamer noodzakelijk maakt, weegt zwaarder dan de belangen van de overbouwers. De vermeende nadelen zoals waardevermindering en isolatieproblemen zijn onvoldoende om schorsing te rechtvaardigen. Ook is onvoldoende aannemelijk dat de verwijdering van de nooddeur tot een noodtoestand leidt. De incidentele vordering wordt daarom afgewezen, en de hoofdzaak wordt verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen.