ECLI:NL:GHAMS:2016:2234

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2016
Publicatiedatum
13 juni 2016
Zaaknummer
23/003916-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 422 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering met matiging wegens overschrijding redelijke termijn

De veroordeelde werd door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van meerdere strafbare feiten met betrekking tot de Opiumwet. Het Openbaar Ministerie had in eerste aanleg een vordering tot ontneming ingediend van €157.882,50, welke werd verlaagd tot €19.950 na vermindering wegens termijnoverschrijding.

In hoger beroep bevestigde het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de betalingsverplichting. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, met name in eerste aanleg, waar de procedure ruim drie jaar duurde. Gezien de voortvarende behandeling in hoger beroep matigde het hof het te betalen bedrag met 5%, waardoor de betalingsverplichting werd vastgesteld op €21.850.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 juni 2016. De overige onderdelen van het vonnis bleven ongewijzigd. De matiging weerspiegelt de belangenafweging tussen de overschrijding van de redelijke termijn en de voortvarendheid van de hogerberoepsprocedure.

Uitkomst: Betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €21.850 met matiging wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

parketnummer: 23-003916-15 (ontneming)
datum uitspraak: 10 juni 2016
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 september 2015 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 14-810162-10 tegen de veroordeelde:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1988,
adres: [adres]

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg schriftelijk gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 157.882,50. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft het Openbaar Ministerie de vordering verlaagd tot € 24.950. Rekening houdende met een toe te passen vermindering van € 5000 in verband met overschrijding van de redelijke termijn vorderde het Openbaar Ministerie dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op € 19.950.
De veroordeelde is bij vonnis van alstoen de rechtbank Alkmaar, thans de rechtbank Noord-Holland, van 21 september 2010 veroordeeld ter zake van – kort gezegd –:
in de zaak met parketnummer 14/810256-09:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef Pro en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
in de zaak met parketnummer 14/810162-10:
Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef Pro en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef Pro en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 3: opzetheling, meermalen gepleegd.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 15 september 2015 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van het bedrag, waarop de betalingsverplichting van de veroordeelde aan de Staat wordt vastgesteld, aangezien het hof in hoger beroep met de overschrijding van de redelijke termijn rekening zal houden als hierna vermeld.

Redelijke termijn

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoel in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. In eerste aanleg is de ontnemingszaak aangevangen met een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie op 13 februari 2012 – welke datum het hof als aanvang neemt voor de beoordeling van de (redelijke) termijn in de ontnemingszaak – en afgerond met een eindbeslissing op 15 september 2015. De zaak is na instelling van het rechtsmiddel op 29 september 2015 vervolgens in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 10 juni 2016.
Het hof stelt vast dat de procedure als geheel een periode van (ongeveer) vier jaar en drie maanden heeft bestreken en dat uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, deze periode is overschreden met (ongeveer) drie maanden. Gelet op de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de daar tegenoverstaande voortvarende behandeling van het hoger beroep acht het hof het, alles afwegende, redelijk te volstaan met een matiging van het te betalen bedrag met 5%, te weten € 1.150,00.
Aan de veroordeelde dient daarom, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 21.850,00.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarin aan de veroordeelde de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.000,- ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel;
Legt de veroordeelde de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 21.850,00 (eenentwintigduizend achthonderdvijftig euro).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P.C. Römer en mr. J.W. Moors, in tegenwoordigheid van mr. K.D.M. de Lange, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2016.
=[.......]
.