ECLI:NL:GHAMS:2016:234

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2016
Publicatiedatum
28 januari 2016
Zaaknummer
200.170.524/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 GerechtsdeurwaarderswetArt. 17 KBvG-verordening Normen voor Kwaliteit
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen afwijzing klacht gerechtsdeurwaarder

Klager diende een klacht in bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders tegen een gerechtsdeurwaarder, welke klacht door de voorzitter als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klager tekende verzet aan tegen deze beschikking, maar dit verzet werd eveneens ongegrond verklaard door de kamer. Klager ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof behandelde de ontvankelijkheid van het hoger beroep en stelde vast dat artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet een rechtsmiddelenverbod inhoudt tegen de beslissing van de kamer op het verzet. Alleen bij schending van fundamentele rechtsbeginselen kan hiervan worden afgeweken.

Klager voerde aan dat de kamer de klachten niet inhoudelijk had beoordeeld en dat daardoor geen eerlijke en onpartijdige behandeling had plaatsgevonden. Het hof oordeelde echter dat een motiveringsgebrek geen grond is om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken en dat de klachten onvoldoende waren om te concluderen dat fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden.

Daarom verklaarde het hof klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de kamer van 21 april 2015.

Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van zijn klacht tegen de gerechtsdeurwaarder.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.170.524/01 GDW
nummer eerste aanleg : 123.2015
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 26 januari 2016
inzake
[klager] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin, advocaat te Veenendaal,
tegen
[gerechtsdeurwaarder] ,
gerechtsdeurwaarder te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellant (hierna: klager) heeft op 28 mei 2015 een beroepschrift – met bijlage – bij het hof ingediend tegen de beschikking van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 21 april 2015 (ECLI:NL:TGDKG:2015:87), verzonden op 30 april 2015.
1.2.
De kamer heeft in de bestreden beschikking het verzet van klager tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 3 februari 2015, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond was afgewezen, ongegrond verklaard
.
1.3.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 9 juni 2015 een verweerschrift bij het hof ingediend.
1.4.
De zaak is, voor zover het betreft de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2015. Klager, vergezeld van zijn gemachtigde, is verschenen. Zij hebben beiden het woord gevoerd. De gerechtsdeurwaarder heeft schriftelijk te kennen gegeven niet te zullen verschijnen.

2.Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3.De ontvankelijkheid van klager in het hoger beroep

3.1.
Klager heeft op 20 mei 2014 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd, dat bij de kamer is ingekomen op 3 juni 2014. De voorzitter van de kamer heeft vervolgens bij beschikking van 3 februari 2015 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Deze beschikking is op 6 februari 2015 aan klager toegezonden, waarna klager bij schrijven van 17 februari 2015 verzet heeft aangetekend tegen deze beschikking. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 10 maart 2015. De kamer heeft bij beschikking van 21 april 2015 het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beschikking waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts worden afgeweken, indien bij de totstandkoming van de beschikking een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klager heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kamer heeft nagelaten de klachten van klager inhoudelijk te beoordelen, waardoor geen sprake is geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Hij stelt:
(i) dat de kamer in de beschikking onterecht heeft opgemerkt dat de gerechtsdeurwaarder gemotiveerd verweer heeft gevoerd; op de acht gemotiveerde klachten van klager is de gerechtsdeurwaarder in het geheel niet inhoudelijk ingegaan,
(ii) dat de kamer de omstandigheid dat de klacht eerder ingediend had kunnen worden niet ten grondslag had mogen leggen aan haar beschikking, aangezien nu de klacht tijdig is ingediend dit geen argument voor niet-ontvankelijkheid oplevert, en
(iii) dat het gegeven dat de klacht mede betrekking heeft op een civielrechtelijk conflict niet in de weg staat van een tuchtrechtelijke behandeling. Klager verwijst hierbij naar artikel 17 van Pro de KBvG-verordening Normen voor Kwaliteit: een gerechtsdeurwaarder dient zich als een goed en verantwoordelijk werkgever te gedragen. De kamer had dienen te beoordelen of de gerechtsdeurwaarder die tuchtrechtelijke norm heeft geschonden.
3.4.
Het hof is van oordeel dat de onder 3.2 vermelde uitzondering zich in de onderhavige zaak niet voordoet. In de kern stelt klager zich op het standpunt dat de kamer haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat uit de motivering van de kamer niet blijkt dat zij de klachten van klager inhoudelijk heeft behandeld. Volgens vaste jurisprudentie vormt een motiveringsgebrek echter geen doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod. Dat klager meent dat de bestreden beschikking gebrekkig is gemotiveerd, is daarom, wat daarvan ook zij, onvoldoende om te kunnen concluderen dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat klager niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de kamer van 21 april 2015.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2016 door de rolraadsheer.