Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
Klager diende een klacht in bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders tegen een gerechtsdeurwaarder, welke klacht door de voorzitter als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klager tekende verzet aan tegen deze beschikking, maar dit verzet werd eveneens ongegrond verklaard door de kamer. Klager ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Het hof behandelde de ontvankelijkheid van het hoger beroep en stelde vast dat artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet een rechtsmiddelenverbod inhoudt tegen de beslissing van de kamer op het verzet. Alleen bij schending van fundamentele rechtsbeginselen kan hiervan worden afgeweken.
Klager voerde aan dat de kamer de klachten niet inhoudelijk had beoordeeld en dat daardoor geen eerlijke en onpartijdige behandeling had plaatsgevonden. Het hof oordeelde echter dat een motiveringsgebrek geen grond is om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken en dat de klachten onvoldoende waren om te concluderen dat fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden.
Daarom verklaarde het hof klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de kamer van 21 april 2015.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van zijn klacht tegen de gerechtsdeurwaarder.