ECLI:NL:GHAMS:2016:2383
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.J.F. Thiessen
- C.M. Aarts
- C.G. Kleene-Eijk
- Rechtspraak.nl
Geen bewijs van verboden onderscheid bij niet-verlenging arbeidsovereenkomst wegens handicap
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de niet-verlenging van de arbeidsovereenkomst van appellant door de Stichting tot Bevordering der Notariële Wetenschap in strijd was met artikel 4 van Pro de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ).
Appellant had een hartinfarct gehad en was bezig met re-integratie. De Stichting besloot het jaarcontract niet te verlengen, waarbij volgens getuigen het oordeel was dat appellant niet goed in de groep paste. Tijdens de bestuursvergadering werd geen sprake gemaakt van de ziekte als reden voor het niet verlengen, hoewel een verklaring van de Arboarts over herstelverwachting ter tafel lag.
Appellant en zijn echtgenote stelden dat de ziekte wel de werkelijke reden was, mede omdat een bestuurslid aan de echtgenote had verklaard dat de gezondheidssituatie de reden was. Dit werd echter door dat bestuurslid ontkend als feitelijke grondslag voor het besluit, en toegelicht als een uiting om stress te vermijden.
Het hof concludeerde dat de verklaringen van de getuigen en de feiten onvoldoende bewijs leverden dat de niet-verlenging was gebaseerd op verboden onderscheid wegens handicap of chronische ziekte. De grieven van appellant faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarbij appellant in de kosten werd veroordeeld.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat onvoldoende bewijs is geleverd voor verboden onderscheid op grond van handicap bij niet-verlenging arbeidsovereenkomst.