Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Tenlastelegging
Vonnis waarvan beroep
Geldigheid van de dagvaarding
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren
Partiële vrijspraak
Bewezenverklaring
[T.L.] ,
[I.B.] ,
[M.B.] ,
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Strafbaarheid van de verdachte
Oplegging van straf
drie jaren, die gelet op de ernst van de feiten zeker passend en geboden mag worden geacht.
twee jaren en elf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Vordering van de benadeelde partij [I.B.]
Vordering van de benadeelde partij [T.L.]
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) jaren en 11 (elf) maanden.
€ 90.000,00 (negentigduizend euro) bestaande uit € 80.000,00 (tachtigduizend euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 90.000,00 (negentigduizend euro) bestaande uit € 80.000,00 (tachtigduizend euro) materiële schade en
205 (tweehonderdvijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
€ 70.000,00 (zeventigduizend euro) bestaande uit € 60.000,00 (zestigduizend euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schadeen veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor dat gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 70.000,00 (zeventigduizend euro) bestaande uit € 60.000,00 (zestigduizend euro) materiële schade en
160 (honderdzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.