Uitspraak
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Onderzoek van de zaak
16 en 18 december 2014, 18 september 2015, 23, 26 en 27 mei 2016 en 1 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tenlasteleggingen
hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2008 tot en met 5 augustus 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of in België en/of in Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen,
Vonnis waarvan beroep
Geldigheid van de dagvaarding
Uit de stukken blijkt dat op zich juist is dat de verdachte heeft aangegeven dat hij wenst zo snel mogelijk naar een plaats te worden gebracht waar hij zijn tanden kan poetsen en zich kan wassen en waar hij iets kan eten, omdat hij al twee dagen niets heeft gegeten. Het hof acht genoemde persoonlijke omstandigheden echter onvoldoende om ervan uit te gaan dat het door verdachte afzien van het recht een beroep te doen op het specialiteitsbeginsel onder zodanige omstandigheden tot stand is gekomen, dat hij daaraan niet kan worden gehouden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich niet of onvoldoende bewust was van wat hij deed.
Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren
15 oktober 2012 uit te nodigen, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De verdediging is door het vormverzuim ook in zijn belangen geschaad, nu weliswaar de getuige vervolgens alsnog op 30 november 2012 door de rechter-commissaris in het bijzijn van de verdediging is gehoord, maar de getuige bij de rechter-commissaris niet onbevangen een verklaring heeft afgelegd, maar is gehoord aan de hand van haar eerder afgelegde verklaring.
4e tenlastegelegde feit heeft begaan, nu hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor uitlatingen die door ‘ [J.] ’ tegenover [I.B.] zijn gedaan. Het hof verwerpt dit verweer, nu uit de bewijsmiddelen -waaronder de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep - blijkt dat de verdachte degene is geweest die via ‘ [J.] ’ geld aan [I.B.] heeft gegeven opdat zij haar eerder afgelegde verklaring zou intrekken. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [I.B.] dat de verdachte haar heeft bedreigd, en gezegd dat zij in de problemen zou komen als zij de verklaring niet zou intrekken. Het hof is dan ook van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Vrijspraken
[G.M.] heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [I.B.] . De enkele verklaring van [I.B.] hieromtrent is onvoldoende, nu deze geen steun vindt in andere (objectieve) bewijsmiddelen.
Bewezenverklaring
13-708165-11 (zaak A) onder 1 en 4 en in de zaak met parketnummer 13-731015-13 (zaak B) onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
[T.L.] ,
[I.B.] ,
[I.K.S.] ,
[C.V.]( geboren op [geboortedatum] ),
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Strafbaarheid van de verdachte
13-731015-13 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf
zes jaren, die gelet op de ernst van de feiten en de recidive zeker passend en geboden mag worden geacht.
vijf jaren en tien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Vordering van de benadeelde partij [I.B.]
Vordering van de benadeelde partij [T.L.]
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
13-731015-13 onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
13-708165-11 onder 1 en 4 en in de zaak B met parketnummer 13-731015-13 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) jaren en 10 (tien) maanden.
€ 40.000,00 (veertigduizend euro) bestaande uit € 30.000,00 (dertigduizend euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
[I.B.] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-708165-11 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 40.000,00 (veertigduizend euro) bestaande uit € 30.000,00 (dertigduizend euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade,
235 (tweehonderdvijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) bestaande uit € 15.000,00 (vijftienduizend euro) materiële schade en
[T.L.] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-708165-11 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) bestaande uit € 15.000,00 (vijftienduizend euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
130 (honderddertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
15 juni 2016.