Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1. Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1935 met een inhoud van 340 m³ en een perceelgrootte van 122 m², voorzien van een dakkapel en schuur. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2013 vast op €259.000. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde een lagere waarde voor, maar dit werd door de heffingsambtenaar en vervolgens door de rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep betwist belanghebbende opnieuw de vastgestelde waarde en onderbouwt dit met een alternatieve waarderingsmethode en vergelijkingsobjecten. Het Hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat de vergelijkingsmethode van de heffingsambtenaar correct is toegepast en dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank en het Hof achten de vastgestelde waarde niet te hoog.
Belanghebbende kon onvoldoende feiten en omstandigheden aanvoeren die een lagere waarde rechtvaardigen. Het Hof bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er worden geen kosten aan belanghebbende opgelegd. De uitspraak is openbaar gedaan op 31 mei 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €259.000 wordt bevestigd.