Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1] ,
[appellante sub 2],
1.de vennootschap onder firma INSTALLATIEBEDRIJF T&I,
[geïntimeerde sub 2],
[geïntimeerde sub 3],
1.Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep
2.Verdere beoordeling
inde grond, dus niet slechts met de aanwezigheid van de asbesthoudende golfplaten op het maaiveld en de asbest op de daken van de opstallen. Nu zelfs [appellant sub 1] , naar zijn eigen stelling, niet zeker wist dat het puin in de grond van het achterterrein met asbest besmet was, valt niet in te zien waarop gebaseerd kan worden dat het T&I daarmee wel bekend was. Hierna zal het hof nog ingaan op de vraag of T&I op grond van door of namens [appellanten] gedane mededelingen zou hebben moeten betwijfelen dat de grond niet met asbest besmet was. De door [appellanten] ingeroepen onbekendheidsclausule in artikel 5.4.1 van de koopovereenkomst kan hun niet baten. Die bepaling behoefde T&I er niet toe aan te zetten eraan aan te twijfelen dat de grond van de onroerende zaak in beginsel niet met asbest verontreinigd was en dat zij geen nadere maatregelen behoefde te treffen om de onroerende zaak in gebruik te kunnen nemen, waarvan [appellanten] immers verklaren daarmee niet bekend te zijn.
normaalgebruik. Het hof verwerpt het standpunt van [appellanten] dat de aanwezigheid van de asbestverontreiniging in de mate als door Ecopart is vastgesteld het normale gebruik van de gekochte onroerende zaak niet belemmert. De omstandigheid dat het achterterrein nadat de maatregelen getroffen zijn zoals de Inspectie voor Leefomgeving en Transport met betrekking tot de asbesthoudende weg heeft voorgeschreven, door T&I zou kunnen blijven worden gebruikt, bijvoorbeeld zoals [appellanten] dat gewoon waren, namelijk als opslagterrein, is onvoldoende voor de conclusie dat het ‘normaal gebruik’ niet in het geding is. T&I is immers, zo lang de asbestverontreiniging niet is verwijderd, verplicht de met asbest verontreinigde grond voor een in beginsel onduidelijk lange termijn onberoerd te laten en zij moet de afdeklaag in de toekomst onderhouden. De gekochte onroerende zaak is in de koopovereenkomst aangeduid als “perceel landbouwgrond” en “perceel met opstallen en erf” en in het kadaster wordt het achterterrein als “terrein (akkerbouw)” omschreven. Het is niet duidelijk op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat een normaal gebruik door T&I van deze grond zou moeten inhouden dat de indeling van het achterterrein ongewijzigd moet blijven althans dat delen daarvan niet (op termijn, op een moment dat het T&I goeddunkt) zouden mogen worden verwijderd of verplaatst. Deze gebruiksbeperking staat naar het oordeel van het hof het in (artikel 5.3 van) de koopovereenkomst gegarandeerde normaal gebruik van het achterterrein, zoals T&I dat (naar gangbaar spraakgebruik) mocht opvatten, in de weg. Daaraan doet niet af dat T&I, naar het hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld, niet althans niet voor [appellanten] kenbaar uitbreidings- en bouwplannen had ten aanzien van het gekochte of dat zij daarop een bedrijfswoning zou willen realiseren. Dit is een “bijzonder gebruik” dat inderdaad tussen partijen niet is overeengekomen.