In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam is de verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal van elektriciteit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De verdachte ontkende betrokkenheid bij de elektriciteitsdiefstal en het hof vond de aanwijzingen onvoldoende om hem als medepleger aan te merken.
Ten aanzien van de hennepkwekerij oordeelde het hof dat de verdachte wetenschap had van de kwekerij, gelet op de sterke henneplucht die ook buiten het pand werd waargenomen en de verklaringen van betrokkenen. Hoewel onvoldoende bewijs bestond voor medeplegen, was vastgesteld dat de verdachte zijn woning ter beschikking stelde aan zijn stiefzoon die de kwekerij exploiteerde. Daarmee heeft hij opzettelijk gelegenheid verschaft tot het telen van hennep en is hij medeplichtig.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van zestig uur en dertig dagen hechtenis, waarbij rekening werd gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn. De straf is gebaseerd op de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd vrijgesproken van de overige tenlastegelegde feiten.