ECLI:NL:GHAMS:2016:2823

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2016
Publicatiedatum
19 juli 2016
Zaaknummer
23-005078-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 lid 2 APV AmsterdamArt. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 9a SrArt. 395a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens overtreding verkoopverbod middelen op Oudezijds Achterburgwal

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot twee weken hechtenis wegens het zich ophouden op de Oudezijds Achterburgwal met het oog op de koop of verkoop van middelen als bedoeld in de Opiumwet. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.

Het gerechtshof Amsterdam vernietigde het vonnis van de kantonrechter omdat dit slechts een aantekening was ingevolge artikel 395a Sv. Het hof achtte bewezen dat de verdachte zich op de genoemde locatie ophield met het oog op het aanbieden van middelen, maar sprak hem vrij voor hetgeen meer of anders was ten laste gelegd.

Hoewel het bewezen verklaarde strafbaar is als overtreding van artikel 2.7 lid 2 van de APV Amsterdam, achtte het hof, mede gelet op het tijdsverloop, de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte (zoals het vinden van werk en het aflossen van schulden) en het feit dat hij sindsdien niet meer met justitie in aanraking was gekomen, toepassing van artikel 9a Sr op zijn plaats. Hierdoor werd geen straf of maatregel opgelegd.

Uitkomst: Verdachte schuldig verklaard maar geen straf opgelegd wegens toepassing artikel 9a Sr.

Uitspraak

parketnummer: 23-005078-15
datum uitspraak: 17 juni 2016
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-021752-14 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
postadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
17 juni 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 november 2013 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten de Oudezijds Achterburgwal kruising Bloedstraat heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of Pro 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 9 november 2013 te Amsterdam zich op de Oudezijds Achterburgwal, kruising Bloedstraat, heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of Pro 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te koop aan te bieden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van het bepaalde bij artikel 2.7, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot twee weken hechtenis.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig wordt verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Het hof heeft acht geslagen op het tijdsverloop in onderhavige zaak, op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, te weten dat hij een baan als verkeersregelaar heeft gevonden en is begonnen met het aflossen van zijn schulden, en heeft mede in aanmerking genomen dat de verdachte sinds de pleegdatum van het onderhavige feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Een en ander in overweging nemende, acht het hof - met de advocaat-generaal - termen aanwezig dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Gelet op het voorgaande zal toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. P.C. Römer en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
17 juni 2016.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.